25/4/10

De laatste rechte lijn


Jawel, het treuren of feesten mag een aanvang nemen. Het staat immers min of meer vast dat ik rond 7 mei zal terugkeren naar het hart van Europa. My beloved Belgium. Als duistere aswolken en een zo goed als lege geldbuidel dat tenminste toelaten. Dat wil meteen ook zeggen dat ik na zes maanden rondzwerven hier aan mijn laatste weken op Australische grond bezig ben. Op 30 april moeten Anneke en ik onze camper –hij is ondertussen een vast deel van ons reizigersbestaan geworden- inleveren te Sydney en daarna blijven we nog een vijftal dagen in Australië’s bekendste stad. Momenteel zitten we in Byron Bay, een stukje hippiegrond langs de kustlijn van New South Wales, de laatste rechte lijn richting Sydney.

Even op onze kilometerteller gekeken en vastgesteld dat we de voorbije vijf weken zo’n 12000 kilometer hebben gevreten. Eindeloze rechte wegen door de Outback, kronkelende paadjes langs nationale parken, overstroomde straatjes in het tropische Noorden en stoffige zandwegen op Kangaroo Island. Maar goed, een beschouwend slotschrijfsel krijgen jullie wel te lezen zodra ik weer in België ben en mijn avontuur Down Under er definitief op zit. Eerst nog een overzichtje van de voorbije anderhalve week, vers van de pers.


Daarin was er zelfs ruimte voor een stukje zeemansdrift. Van 13 tot 16 april dobberden An en ik immers op de blauwgroene zee rond het magische Great Barrier Reef en de paradijselijke Whitsunday Islands. Voor een fatsoenlijk verteerbaar bedrag (een last minute deal) konden we mee met een driedaagse zeiltocht op een catamaran. Daarop, buiten wij twee coole matrozen, nog twee koppels (Mathias uit Duitsland, Chusa uit Spanje, Ali en Safoura uit Iran) en een gezin van drie (Pete, een Aussie pastoor en Susana en Elijah, zijn Filippijnse vrouw en zoon). De wiskundigen onder ons hebben al lang door dat dat een totaal van negen maakt, plus de kapitein Pete en zijn eega/hostess Trish. Buiten pastoor Pete, die nogal over zijn Sweet Lord kon doordrammen en steevast alom gekende waarheden verkondigde als ware het een buitengewoon Evangelie, een zeer aangenaam gezelschap. Met Ali en Safoura hebben we nadien trouwens nog eens afgesproken in Surfers Paradise, een soort Salou aan de Australische kust, waar zij nog een achttal dagen verbleven en wij op doortocht waren.


De zeiltocht dan. Die was...euh... interessant. Zo leerde ik dat mijn benen liever op vaste grond staan dan op kabbelende scheepsdekken. Anneke bleek daar minder last van te hebben en vond het een leuke bezigheid om dan maar met mijn lijkbleke gezicht te lachen. Overigens bleek ik niet de enige Piet Piraat te zijn die iets of wat misselijk werd van de nogal ruwe golven. Met momenten haalden we 15 knopen louter op windkracht, voor de zeilleken onder ons: dat is veel! Enfin, ik geef het maar mee om mijn imago van stoere zeebonk niet helemaal te kelderen. Buiten de winderigheid, op zee dus, was’t wel een boeiende trip. Zo kreeg ik de gelegenheid om voor de eerste keer in mijn leven te snorkelen, op de majestueuze Great Barrier Reef, nauwelijks een beter denkbare plaats mogelijk. Koraalriffen all over the place en terwijl je snorkelde -en hoopte dat een zeearend je niet aanzag als een smakelijk stuk vis- zwommen honderden visjes rond je. Exemplaren in alle kleuren van de regenboog en alle maten en gewichten, Nemo & Friends. Haaien, dodelijke kwallen (stingers noemen ze dat hier), reuzeroggen en zeeslangen peddelden ergens in de omgeving ook rond, maar gelukkig hebben we van dat gespuis enkel de zeeslang zien voorbij dobberen. Ter bescherming tegen die kwallen moest je trouwens verplicht een wetsuit dragen. Héél sexy, dat kan ik u vertellen. Vooral in combinatie met reusachtige zwemvliezen en een knalgroene duikbril.



Samengevat: het waren drie spannende dagen, tot in de puntjes verzorgd en met leuke mensen aan boord, maar ‘k was toch content weer voet aan wal te zetten. Ali, uit Teheran, maakte me bovendien wegwijs in het religieuze leven in het Midden-Oosten. Eindelijk weet ik wat het essentiële verschil is tussen de Sunnis en de Shias. Sunnis zijn strikter en geloven in één enkele Profeet, Mohammed. Terwijl Shias opener zijn en geloven in de komst van meerdere profeten. Iran, één van de meest liberale landen in het Midden-Oosten bestaat voor 70 procent uit Shias, zoals Ali en Safoura zelf. Tot zover mijn traditionele informatieve kwartiertje.


Vanuit Whitsunday Islands ging het verder zuidwaarts richting Brisbane. Eén van de tussenstops op weg naar daar was in Tin Can Bay, een miniscuul dorpje, maar toch gekend omwille van zijn dolfijnenbestand. Dolfijnen komen er vanuit de zee een riviertje ingezwommen om er aan de visserskade ontbijt geserveerd te krijgen. Resultaat: ’s ochtends –ik spreek van 7u30- kan je er tot kniediep tussen de wilde dolfijnen staan. Er staan wel wat opzichters rond je om te voorkomen dat de mensen de dolfijnen zouden aanraken of op eigen houtje zouden voederen, zo vermijden ze dat de ‘wilde’ dolfijnen te afhankelijk worden van ons, mensen. Een speciaal moment toch.
Van daaruit naar Rainbow Beach, waar de krachtige zeewind zandbanken van vijftig meter hoog blaast en de rotsen eigenaardige kleuren meegeeft (vandaar de naam Rainbow beach).


Via een tussenstop bij een prachtige zonsondergang in de Glasshouse Mountains
bereikten we Brisbane, met zijn anderhalf miljoen inwoners de grootste stad van de staat Queensland. Café’s en winkels genoeg, maar eigenlijk ontbreekt de stad wat ziel. Brisbane wordt in tweeën verdeeld door een kronkelende rivier, hier en daar zijn er wel gezellige plekjes, maar toch is het hard zoeken naar bezienswaardigheden of echt sfeervolle pleintjes. Na anderhalve dag hielden we het daar voor bekeken en zijn we doorgereden naar Surfers Paradise voor de nodige portie zon, zee en vertier.


Mocht u zich trouwens afvragen waar het gedeelte tussen Darwin (einde vorige blog) en het Great Barrier Reef is gebleven, wat toch zo’n tweeduizend kilometer behelst: dat is de literaire vrijheid die ik te baat heb genomen om meteen met het boeiendste te beginnen. De tocht van Darwin naar Townsville was lang en bestond voornamelijk uit lange rijsessies. Al waren er op gezette tijden enkele hoogtepunten. De Florence Waterfalls in Litchfield National Park bijvoorbeeld. Litchfield wordt beschouwd als het kleinere broertje van Kakadu NP, maar kan uitpakken met een aantal prachtige watervallen en lagune’s. Waarvan Florence er één is. Daarna volgde een lang stuk baan langs verlaten outback en onmetelijke weilanden. De eerstvolgende noemenswaardigheid was eigenlijk in Charters Towers, zo’n 2000 kilometer verderop, vlak voor het bereiken van de kustlijn van Queensland. Zeer toevallig verzeilden (ja sorry, ik zit nog altijd met dat zeilen in mijn hoofd) we daar op een soort rodeo contest, waar de plaatselijke Lucky Luke’s genoegen schepten in dingen als ‘catch the bull’ en trots paradeerden met hun blinkende cowboyhoeden. Een dikke fluim later zaten we weer in onze camper, op weg naar Townsville, het was reikhalzend uitkijken naar het wederzien met de bewoonde wereld. Sinds Townsville moet ik toegeven dat zowel Anneke als ik naar ‘relax-modus’ zijn overgeschakeld, zo kabbelen we lekker gezapig door deze laatste week met de mobilhome.
Nog een laatste keer zoeken naar gratis douches en bidden dat we ’s nachts niet wakker geklopt worden door politie wegens illegaal kamperen. Het heeft zijn charmes, maar ’t is mooi geweest. De laatste blog vanop Australische bodem zal vanuit Sydney zijn, ergens volgende week. Talk to you soon!


En als uitsmijter -het was alweer veel te lang geleden- nog eens een quote van de week, gisteren ontdekt in een prentboekje te Bellingen:


"You can't stop the waves, but you can learn how to surf." Qua Australische wijsheid kan dat tellen, denk ik.

6/4/10

Dancing in the moonlight


Bill Withers (Best of), Bruce Springsteen (The Essential), Madonna (Like a Virgin), The Rolling Stones en een compilatie van jazz/funkgoeroe Gilles Peterson. Dat zijn de vijf cd’s die de voorbije twee weken non-stop in de radio van onze Ford Transit staken. Vijf cd’tjes die ik nog snel-snel in een tweedehandszaak in Melbourne kocht alvorens de camper te gaan ophalen. Ze zijn van pas gekomen de voorbije weken, in die mate zelfs dat ze zachtjes aan de strot uitkomen en we ongeveer woord voor woord, en achterstevoren, kunnen meezingen met alle nummers op de albums. Het resultaat van eindeloze roadtrips door de Outback, een gebied dat zijn reputatie van apocalyptisch niemandsland helemaal waarmaakt. Een unieke belevenis, zo overweldigend dat de rest er bij verbleekt. Maar daarover later meer...

Eerst toch nog even terug naar twee weken geleden, het moment waarop we de Great Ocean Road verlieten en in Warrnambool wachtten op een nieuw stel remmen om daarna de Grampians in te duiken. De Grampians zijn een nationaal park met prachtige rotsformaties en spectaculaire verzichten. Amper een paar dagen na onze ontmoeting met de kangoeroes in Tower Hill kwamen we deze keer nog dichter bij deze Australische springende tweevoeters. Ze zaten doodgemoedereerd op een voetbalveld gras te plukken en leken zich weinig aan te trekken van onze aanwezigheid. Lieve beestjes, alleen jammer dat ze ondertussen geen voetbal speelden op het veld, dan had dit nog leuker geweest om te schrijven en foto’s te tonen.

Vanuit de Grampians ging het via Bordertown (home of the white kangaroo) de grens over naar South Australia en meer bepaald Adelaide, hoofdstad van deze provincie. Tot mijn verbazing -want weinig goeds over de stad gehoord- bleek Adelaide nog een aangename plek, voorzien van brede zandstranden, een proper wegennetwerk en tal van groene parkjes. Oké, niet de meest bruisende stad, maar een mens kan er comfortabel wonen. Bovendien is het klimaat er pakken beter dan in bijvoorbeeld het wisselvallige Melbourne. Je voelt er de Outback in de nek ademen, het droge gebied achter Adelaide blaast een constante warme lucht doorheen de stad. Na twee nachtjes Adelaide en evenveel stiekeme gratis douches in camperparks later dirigeerden we onze camper naar Jervis Bay, vanwaar we de ferry naar Kangaroo Island namen. Een dure onderneming (om en bij de 300 dollar voor de overzet) waar we in eerste instantie het gevoel bij hadden dat het weggesmeten geld was, want Kangaroo Island had weinig meer te bieden dan bijvoorbeeld Wilson Promontory, het schiereiland dat we helemaal aan het begin van onze reis bezochten en dat haast niets kostte. Naderhand bleek onze driedaagse trip op het eiland voor de kust van Adelaide toch zijn geld waard. Ten eerste was er de prachtige baai aan Flinders National Park, waar je massa’s zeehonden kon zien, dollend en ravottend met elkaar. Ook de Remarkable Rocks maakten hun naam waar. (foto) De laatste dag brachten we door op het landgoed van Bill Roper, een sympathieke Australische boer die al meer dan dertig jaar schapen hoedt op een stuk land van vier bij twee kilometer. Bill hadden we leren kennen op de ferry, waar hij Anneke aansprak op het feit dat ze te snel reed op een baan met wegenwerken, een vermaning die bizar genoeg leidde tot een hartelijke ontmoeting en zo belandden we dus op visite bij Bill. De avond dineerden we samen en de volgende ochtend zou hij ons zijn stiel leren. Nelly, een Border Collie die hoger springt dan Tia Hellebaut, ging op één simpel commando even twee schapen halen die twee kilometer verderop rustig hun brunch zaten te verorberen en dreef vervolgens een hele meute schapen in een loods. Voor de wollige stampers de Plek Des Onheils, dat viel van hun...euh, schaapachtige gezichten te lezen. Bill toonde ons hoe ze geschoren worden en wat er dan met de wol gebeurt. Voor iemand die doorgaans voetballers of muzikanten interviewt en vervolgens uren achter zijn laptop duikt best een boeiend spektakel om in real time te volgen. Het voelde aan één kant wel wat debiel om daar beiden met onze camera’s te staan filmen en foto’s trekken, maar ach... If you’re being a tourist, you’d better go all the way. Nadat we onze gapende monden weer dicht hadden geklapt, namen we afscheid. ‘Have a happy life’, zwaaide Bill ons uit. De mooiste afscheidswoorden die ik ooit al gehoord heb, en ze kwamen van een schapenboer op een eilandje van niet meer dan 1000 inwoners.

Van Kangaroo Island terug langs Adelaide richting Port Augusta, een weinig tot de verbeelding sprekend dorpje, maar de grote en onvermijdbare vertrekhal voor al wie van het zuiden naar het noorden van Australië wil geraken via de Stuart Highway, de enige autostrade die je door de dorre en gevaarlijke Outback voert. Onze eerste stop richting Outback was Port Wakefield, een dorpje van een vijftal straten met inwoners die nog onvriendelijker waren dan de veedrijvers aan den abattoire tegen Michel Vandenbosch. Volgens mij een gevolg van het voor de hand liggende survival of the fittest-principe. Enkel de ruwe bolsters die weinig sociaal contact zoeken blijven over in dergelijke afgelegen gehuchten. Al wie een beetje sociale interactie zoekt of graag onder de mensen komt, trekt er weg. Port Wakefield bleek een voorbode van wat de Outback te bieden heeft. Alle levende wezens die iets of wat genegenheid of naastenliefde nastreven, hebben hier niets te zoeken. Dit is een wijds en dor landschap. Dode beesten (meestal kangoeroes of runderen) en uitgebrande auto’s vormen een spoor des doods langs de Stuart Highway. Auto- of vrachtwagenbestuurders doen elkaar een amicaal gedagteken met de wijsvinger telkens ze elkaar kruisen, het wordt een automatisme omdat je na enige tijd rechte baan door kaal landschap al blij bent nog eens een levende ziel te zien. Slapen in de Outback doe je als camperkoppel doorgaans in één van de talrijke roadhouses langs de Stuart Highway. Dorpjes zijn er niet echt, dus de roadhouses zijn dikwijls de enige optie om te tanken of je camper veilig en gratis te parkeren voor de nacht. Na het vallen van de avond nog verder rijden doe je immers niet, het wordt je door alle locals afgeraden omwille van de wilde beesten die plots voor je koplampen kunnen opdoemen. Koeien, paarden, kangoeroes, dingoes of kamelen, om er een paar te noemen. Of je kan ook de kant ingecatapulteerd worden door een road train, trucks met drie, soms zelfs vier, aanhangwagens. Mastodonten van de weg, die ’s nachts heersen op de Stuart Highway.

Aan Spud’s Roadhouse, het eerste station waar we op onze tocht naar het Noorden de nacht doorbrachten, leerden we Nicolas kennen, een Chileense documentairemaker die nu in Australië op een boerderij werkt. Hij heeft documentaires over hanengevechten in Peru en over stierengevechten in Chili op zijn cv staan. Een interessante gesprekspartner die bijvoorbeeld wist te vertellen dat stieren bang zijn van geiten. Wanneer twee stieren met elkaar in de clinch gaan, sturen de Chilenen er een geit op af om ze uit elkaar te halen. Een fuckin’ geit dus! Vanaf nu niets dan respect voor die beesten.

Coober Pedy was onze eerste grote bezoekstop. Een plek waar de temperaturen soms zo extreem zijn dat de mensen er besloten om hun huizen onder de grond te bouwen. Sommige woonsten en kerken zijn echte juweeltjes qua kapkunst. Bovengronds geeft dat wel een eigenaardig zicht en heeft Coober Pedy veel weg van een spookstad uit de Far West. Films als Mad Max III, Pitch Black en The End of the World van Wim Wenders zijn hier opgenomen. Niet verwonderlijk waarom: het mijndorp, dat vooral bekend staat om zijn opalopdelvingen (opal is een soort edelsteen), is echt het hol van Pluto. En dat mag je gerust letterlijk nemen. Mensen wonen er in een hol, dat vertelde ik al. Wat die Pluto betreft: toen wij er halt hielden was het ’s nachts net volle maan, wat voor een heel vreemde ervaring zorgde. De maan gaf zodanig veel licht, en reflecteerde op de zanderige grond, dat je je eigen schaduw kon zien. Echt hallucinant helder. Miljoenen sterren zorgden voor de sfeerverlichting. Alsof je op een andere planeet wandelt. Een ander, minder tot de verbeelding aspect van Coober Pedy is z’n reputatie als onveilig gebied. Dat heeft vooral te maken met de vele Aboriginals die er rond zwerven en er een nationale sport van maken om zich heler dagen in de vernieling te zuipen.

De relatie van de blanke Australische burger met de Aboriginals is heel dubbel heb ik ondertussen geleerd. Aan de ene kant schamen ze zich wel om wat ze de oorspronkelijke, inheemse bevolking hebben aangedaan. De Britse ontdekkingsreizigers hebben circa 1830 simpelweg hun land ingepikt, zonder enige vorm van compensatie, en hebben de Aboriginals nadien langzamerhand ondergebracht in kleine communes en ze daar aan hun lot overgelaten. Waar ze nu dus nog altijd doelloos rond lummelen en massaal in de alcohol vliegen, een beetje vergelijkbaar met het lot van de Indianen in de VS. Aan de andere kant zijn de Australiërs behoorlijk racistisch tegenover de Aboriginals en beschouwen hen als een bende primitieve profiteurs, te lui om te werken. Het is een complex maar klassiek who’s to blame?-verhaal. Die schrijnende toestand kwam nog het meest tot uiting in Alice Springs, het hart van de Outback. De plakaatjes “Don’t feed the animals, we want to keep them wild” zou hier ook nog van toepassing kunnen zijn. Men adviseert je om hen zo veel mogelijk te negeren, want door het feit dat ze het gros van de tijd dronken zijn, kunnen ze soms best agressief uit de hoek komen. Een foto nemen wordt je bijvoorbeeld ten stelligste afgeraden, want de kans is groot dat ze je achteraf vijf dollar vragen. Geef je die niet, dan krijg je pas BIG troubles. De regering, gevoed door schuldgevoel, voorziet gratis medische hulp voor de Aboriginals in afgelegen gebieden. Zo getuigde ook Harry, een tandarts die we in Coober Pedy ontmoet hadden en die één week per maand naar de meest afgelegen plekken wordt overgevlogen om er Aboriginalpatiënten te behandelen. Op kosten van de staat. Een voorkeursbehandeling die veel Aussies de ogen uitsteekt.

Maar soit, de Aboriginals, één van de oudste beschavingen op aarde, hebben ook heel wat historie en cultuur aan te bieden. Zoals Uluru, de Aboriginalbenaming voor Ayers Rock, hét symbool van de Australische Outback. Een stuk steen van drie kilometer lang en één kilometer breed, dat temidden van het vlakke en droge landschap rond Alice Springs ineens uit de grond verrijst. Het is gesmolten magma dat miljoenen jaren geleden tot aan de oppervlakte werd geduwd en nadien door een spel van wind en water tot de majestueuze rotsblok werd gehouwen die het nu is. Een tocht van tien kilometer leidde ons helemaal rond Uluru en toonde ons eeuwenoude Aboriginal rotstekeningen. De ondraaglijke hitte en de onontkombare horde vliegen rond je gezicht (naar ’t schijnt komen ze je naar je ogen om er het vocht uit te zuigen) zorgden er echter voor dat we onze trip richting Noorden snel verder zetten en helaas Kings Canyon en The Olgas, twee andere bezienswaardigheden in de regio, aan ons lieten voorbij gaan. Op onze rit weg uit het gebied van Uluru nog even aan de kant gezet door plaatselijke politie die mij een alcoholtest lieten doen. Redelijk surrealistisch zo in het midden van de outback, met in een straal van tweehonderd kilometer geen dorp te bespeuren. Plichtsbewust, die Aussie cops, dat moet je hen nageven.

Via Alice Springs trokken we richting Darwin, in het tropische noorden van het land, om er het door iedereen aangeprezen Kakadu National Park (en het grootste beschermde natuurgebied in Australië) te verkennen.

En ondertussen uiteraard af en toe stoppen bij een roadhouse voor een ontmoeting met de locals. Want nog meer dan absoluut alle bezienswaardigheden te kunnen afhaspelen, is het dát waar het mij om te doen is. Zoals in Barrow Creek. Een roadhouse met honderden kilometers in de omtrek geen bal te zien. De avond dat wij er stopten, kregen we het gezelschap van een caravanpark van mijnwerkers, twee Australische meisjes op doorreis, en dan Pat en Bob, twee ondernemers die het land doorkruisen met hun grote truck om –zeer tegen hun zin, want ze zijn redelijk racistisch getint- satellietpalen voor de Aboriginalbevolking te installeren in de Outback. Meet Patrick, Pat voor de amigo’s, een kathedraal van een mens, 1m96 en 105 kilogram droog aan de haak. Vriendelijke mens, zolang hij niet teveel Coopers (bier) in zijn keelgat heeft gegoten. Dan wordt zijn wazige brein nog net iets waziger en krijg je conversaties als deze:

(letterlijke weergave van een gesprek tussen hem en een Australische)

Hij: ‘Ik begrijp niet waarom wij Goede Vrijdag moeten eren. Waarom wij Jezus, een mens die al zo lang dood is, moeten herinneren?’

Zij: ‘2010 jaar dood, om precies te zijn.’

Hij: ‘Wauw, da’s knap. Hoe weet jij dat? Ik zou zulke dingen totaal niet weten.’

Zij: ‘Toch wel. Iedereen weet toch dat hij 2010 jaar geleden gestorven is. Daarom zijn we nu 2010 na Christus, en alles ervoor is BC.’

Hij: (met stijgende verbazing) ‘Wauw! Zoals jij het uitlegt, klinkt het echt simpel.’

Enfin, lang zijn we dus niet meer blijven nakaarten met Pat en Bob en tegen 22u lagen we al onder de wol. Wat wel vaker het geval blijkt tijdens deze rondreis. Meer en meer leef je op het ritme van de zonsondergang en -opgang. Tegen 21u30 word je moe en ’s ochtends tegen een uur of acht ben je wakker. Ik weet, voor mensen die mij al van in België kennen, klinkt dat even geloofwaardig als Tom Boonen die belooft dat hij nooit meer coke zal snuiven.

De volgende dag, zondag 4 april, arriveerden we na een tussenstop in Mataranka voor een ochtendplons in een warmwaterbron, in Kakadu. Hetgeen op een serieuze ontgoocheling uitdraaide: zowat drievierde van alle bezienswaardigheden bleek dicht wegens overstromingen.

De paar dingen – Aboriginal sites en verzichten over de moerasvlakten- die we zagen waren nochtans veelbelovend. Afgezien daarvan mochten we ondervinden dat tropisch hier echt wel tropisch betekent. Dan spreken we van temperaturen rond de 35 – 40 graden en een vochtigheidsgraad waarbij je onderbroek al nat is nog voor je ze hebt aangetrokken. Dus na een stop van één dag in Kakadu NP verder naar Darwin, de stad die in 1974 volledig van de kaart geveegd werd door de cycloon Tracy, die daarmee een vlotte herhaling deed van wat de Jappen dertig jaar eerder hadden gedaan tijdens WO II.

Maar niet vooraleer even te stoppen bij Adelaide River, alwaar we de Jumping Crocodiles konden zien, zo was ons verteld. En ja hoor, salties – de afkorting voor zoutwaterkroko’s, de gevaarlijke soort- zwommen tot vlak aan ons bootje, gelokt door een grote homp vlees die daar hing te bungelen. Terwijl je foto’s probeert te nemen en toch niet te ver met je armen over de rand te hangen. Kwestie dat ze niet het verkeerde hompje vlees meegritsten. Een toeristisch intermezzo, toegegeven, maar zeer plezant om doen. Momenteel zitten we in Darwin, even bekomen van onze avonturen in de Outback en even verfrissen, dachten we. Maar zoals eerder gezegd zijn de temperaturen hier belachelijk hoog en is de vochtigheid ondraaglijk. Tegen de volgende blog zitten we meer dan waarschijnlijk aan de Great Barrier Reef, aan de East Coast van Australië.

Tot dan!

21/3/10

De geur van verbrand rubber



MacDonalds, zondag 21 maart, Warrnambool. Hier zit ik weer in mijn favoriete restaurant. ’t Is ondertussen bijna drie weken geleden dat ik nog eens iets schreef, dus er valt wel het één en ander te vertellen. Laat ik de draad oppikken waar ik hem vorige keer achterliet –neen, niet den draad, want we weten allemaal waar dié vandaan komt- en dat is in Melbourne. Melbourne Airport om exact te zijn. Alwaar een busje met vleugels uit Hong Kong landde en Anneke op Australische grond dropte. Over de eerste week ga ik verder niet veel uitwijden, het was weinig extravagant: verkennen van de stad, meestal plekken die ik eerder in mijn blog al beschreven heb. Bovendien kon Anneke moeilijk verbergen dat ze toch wat ontgoocheld was in haar eerste week Australië, Melbourne is nu eenmaal geen aantrekkelijke stad en redelijk gewoontjes...op ’t eerste zicht. Maar zoals ik tegen iedereen hier zeg: Sydney is mooier, maar Melbourne is een stad die je moet proeven en die na verloop van tijd aangenamer blijkt dan Sydney. Het is een stad die je langzaam meezuigt, waarna je sfeervolle plekjes ontdekt, in leuke caféetjes verzeilt en aangename mensen ontmoet. Dus tegen het einde van de week denk ik te mogen stellen dat Anneke Melbourne best wel kon appreciëren.







Het hoogtepunt van die eerste week was zowaar een sportevenement: de finale tussen St Kilda Saints en Western Bulldogs. Dan hebben we het over Australian Football, of Footy zoals ze hier zeggen. De nationale sport nummer één. De basis? Een voetbalveld zo groot als heel Zaventem (de lengte soms tot 180m en de breedte 150m), een rugbybal en twee teams van achttien gorilla’s, af en toe wat bizons en hier en daar een verdwaalde antilope die na ongeveer twee seconden compleet de vernieling in gebuffeld wordt. Om maar te zeggen: a sissygame, it ain’t. Het spel bestaat voornamelijk uit een bal die voortdurend de lucht in wordt geschopt en waarvoor dan zes of zeven van die gorilla’s elkaar de armen uitrukken om de bal te kunnen vangen. Het team dat de meeste armen overhoudt, wint. Anyway, hoewel ik vooraf oordeelde dat het een sport was voor ééncellige primitieven moet ik toegeven dat het eigenlijk best een entertainend kijkstuk is. Zelfs Anneke ging naast mij, samen met de 50000 anderen in het Etihad Stadium, uit haar dak wanneer er weer één of ander been vermorzeld werd bij een gevecht om de bal. Uiteindelijk gingen de Bulldogs aan de haal met de trofee, hun eerste prijs in ruim veertig jaar, Anneke en ik hebben dus al gepostuleerd als officiële mascotte van de club en bijbehorende vergoeding. Dat spreekt.




Genoeg over Melbourne en de stad, tijd voor wat real outdoor action en die kwam er al meteen vanaf maandag 15 maart, de dag dat onze Apollo-camper ter onzer beschikking werd gesteld. Dag één kwam het erop aan zoveel mogelijk accidenten te vermijden en te wennen aan de camper. Veilig en wel arriveerden we in de late namiddag te Emerald. De aandachtige lezer en/of trouwe volger van deze blog moet nu een bel horen rinkelen... ’t is de plek waar ik mijn ‘woofing’-ervaring opdeed. De Emily Hill Farm van Sue en Chester vormde immers de ideale tussenstop op weg naar de Wilsons Promontory, een natuurpark in het uiterste zuidelijke puntje van Australië. Bovendien kon ik op deze manier ook eens de kamer tonen waar ik mijn bijna-flauwvalmoment had met die reuzespin. De grap van de dag was dat toen ik Anneke de plek des onheils toonde, er net een andere megaspin op het bed zat. Ik zag haar -Anneke, niet de spin- bleek weg trekken en twee seconden later stonden we terug buiten. ’s Avonds dan nog wat kangoeroe’s gaan spotten op het landgoed van Sue’s zoon, Edward, maar echt kortbij zijn we niet geraakt. Later is dat wel gelukt, maar daarover verderop meer.

Na een eerste overnachting in onze camper op het idyllische domein van Sue en Chester reden we dinsdag verder richting Wilsons Promontory. Een zeer goede keuze om naar daar af te zakken en niet naar het meer toeristische Philip Island, dat wat verderop ligt. Wilsons biedt prachtige wandelingen door eucalyptusbossen, majestueuze zonsondergangen


op de vele witte zandbaaitjes die het schiereiland rijk is en het boeiendste van al: ongerepte wildlife. En geen georganiseerde pinguintour zoals op Phillip Island. Toen we ’s avonds ons bord spaghetti verorberden buiten aan onze camper hoorden we geritsel achter ons in het donker (er is nergens verlichting, dus het enige licht dat we hadden was dat van mijn koplampje), bleek een wombat te zijn. Mijn favoriete beesten hier in Australië...het enige dat ze doen, is wat rondhangen en mensen bekijken. Het zijn gezapige, kleine beertjes. Het enige wat ze al eens durven mispeuteren, is je eten komen stelen. Vergeleken met wat slangen en spinnen kunnen aanrichten, vind ik dat een klein en door de vingers te zien delict. Na ons diner werden we uitgenodigd door Stefan en Denise, een Nederlands koppel dat onder de boom naast de onze stond geparkeerd met hun Jeep. Terwijl de uren wegtikten en er met de minuut meer sterren aan de hemel leken te verschijnen, kroop allerlei gedierte rond ons. Gekraak en geritsel all over the place. Op een bepaald moment scheen ik met mijn supersonische koplamp in het struikgewas en kon ik nog net een wegsprintende vos spotten. Kan ik best begrijpen, ik zou mezelf ook niet in het donker willen tegenkomen. De volgende ochtend tijdens het douchen nog een Kookaberra (rechts), een vogel ter grootte van een papegaai die slangen doodt en kan lachen als een mens, gedag mogen zeggen en een possum (linksonder), een kruising tussen een rat en een eekhoorn. Of zoals Anneke het zegt: “Een mislukte mix van vanalles”. Gelukkig verstaat dat beest geen Nederlands.


Op dag drie trokken we van Wilsons Promontory terug richting Westen, overnachten in Sorrento, een haven aan Port Phillip Bay om daar de volgende ochtend de ferry te nemen richting Queenscliff en er op donderdag een trip langs de befaamde Great Ocean Road aan te vangen. Resumé van die eerste Great Ocean Road dag: veertig kilometer verkeerd gereden omdat ondergetekende de Erskine Falls niet kon vinden op zijn kaart en daarna de geur van verbrand rubber mogen ontdekken toen Anneke besliste om in het midden van een steile berg te stoppen en moest vaststellen dat het dan niet evident is om met een camper weer op gang te komen. Gelukkig konden we er op einde van de rit allebei om lachen. Overnachten deden we in Apollo Bay. Ondertussen zijn we al behoorlijk bekwaamd in het stiekem binnensluipen van hostels of campings om er gratis te douchen. Deze keer was de Surfside Hostel het slachtoffer van onze vermaledijde sluiptechnieken, een ideaal slachtoffer aangezien ik nog perfect wist waar de douches zich bevonden en hoe we de receptie konden ontlopen, nadat ik er bij een vorige trip op de Great Ocean Road met Stijn en Nico overnacht had. ’s Avonds opnieuw een Nederlands koppel leren kennen: Cliff en Karen. Ze zijn bezig aan een wereldreis van drie jaar, Cliff heeft ‘wat geluk gehad in de vastgoedsector’ (zoals hij het zelf verwoordde) en is met vervroegd pensioen. Samen met zijn vrouw Karen is hij op zoek naar een plek om de winters in Nederland te vermijden. Een driejaar durende prospectie met andere woorden. Maar geen slecht woord over de ‘Ollanders’, stuk voor stuk aangename gesprekspartners. Tegen 1u sloot de laatste bar in Apollo Bay en gingen we ieder huiswaarts. Voor ons betekende dat: Apollo Camper. We besloten de camper op het stukje gras te zetten vlak voor de Surfside Hostel, om op die manier de volgende ochtend weer makkelijk een douche te kunnen ‘stelen’. Eén ding over het hoofd gezien: dat we daar blijkbaar niet mochten staan. De kerel van de hostel wilde ons de volgende ochtend vijf dollar ieder aanrekenen voor het overnachten op zijn privégrond, maar op zo een momenten is een man blij dat hij een deerne met bambi-ogen meeheeft en dus wist Anneke met haar vermoorde onschuldblik een vrijgeleide te bekomen. Had ik haar nog even langer laten onderhandelen met de brave uitbater had hij ons waarschijnlijk ook nog uitgenodigd voor koffie en warme croissants als ontbijt.


Anyway, vrijdag verderzetting van de Great Ocean Road, langs obligate stoppunten zoals de Twelve Apostels (foto boven genomen vanuit de heli), Loch Ard Gorge, The Grotto en London Bridge. Het zijn typische toeristische plaatjes, maar je moet ze wel gezien hebben want de uitzichten zijn adembenemend. Tegen de avond kwamen we aan in Warrnambool, eindpunt van de Great Ocean Road. Daar zouden we overnachten en de volgende dag doorreizen naar de Grampians, een reservaat vol rotsformaties en aboriginaloverblijfselen. Zoúden, want op zaterdagochtend maakten de remmen van onze camper een niet al te kosjer geluid, dus wij even langs de garage voor een korte check-up en bleek dat de remmen vooraan dringend aan vernieuwing toe zijn. Om een lang verhaal kort te maken: sinds zaterdagochtend zitten we vast in Warrnambool, waar we moeten wachten tot maandagochtend om de remmen te kunnen vervangen.

Van de nood dan maar een deugd gemaakt en zo verzeilden we op zaterdag tegen het vallen van de avond in Tower Hill, een lap vulkanisch grond waar je a) een prachtige zonsondergang kan zien en b) massa’s wilde kangoeroe kan spotten. Zo werd zaterdagavond onverhoopt nog één van de hoogtepunten van de eerste week on tour: wij met z’n tweetjes temidden van een tiental grijze kangoeroe’s die ons toelieten tot op enkele meters van hen te naderen. Een moment waarop de wereld even stilstond. Geen levende ziel in de buurt, rond ons enkel uitgestrekte weilanden, een dode vulkaan en grazende kangoeroe’s. Terwijl in onze rug de zon zachtjesaan z’n bedje achter de horizon opzocht. Moraal van het verhaal: elk nadeel heb zijn voordeel. (copyright Johan Cruijff)


Het is nu zondag, en hier zit ik dan in de MacDonalds. Anneke die kruiswoordraadsels invult, ik die op mijn laptopje zit te potelen. Morgen hopelijk een nieuwe set remmen en hop, naar de Grampians!




5/3/10

A change is gonna come (copyright Otis Redding)


Yep, na vier maanden is het zover: Australië begint z’n tentakels in mijn brein te nestelen. Zo betrap ik mijzelf erop dat wanneer ik mijmerend over straat slof, Engels mijn denktaal is geworden. Of zoals vorige week toen ik tijdens het bekijken van een Amerikaanse film plots dacht: ‘Tiens, die auto’s rijden aan de verkeerde kant...’ Moet ik mij nu zorgen beginnen maken?

Ik merk ook dat mijn mentaliteit stilaan aan verandering onderhevig is. Vier maanden alleen rondreizen doet iets met een mens. Oorspronkelijk volgde hier nu een hele paragraaf met introspectieve reflectie, maar bij nalezing vond ik het toch net iets te veel “Liefste dagboek”-gehalte hebben, dus heb ik het bij een beknopte versie van mijn bevindingen gehouden. En die zijn: ontdaan van alle materiële balast (geen wagen, tv of overvolle kleerkast) en verplichtingen van allerlei soort (lopende rekeningen, werk,...) leer je de dag anders benaderen. Zeer verfrissend, moet ik zeggen. Je leert de dag te nemen zoals hij komt, je te laten leiden door het toeval en niet langer energie te verspillen aan negatieve zaken. Eén van die voornaamste boosdoeners in onze maatschappij is bijvoorbeeld de én-cultuur, zoals ik het graag noem. We willen alles en altijd maar meer. Aan dat én-tijdperk probeer ik nu voor mezelf een einde te stellen. Door te kiezen en te downsizen wordt een mens veel gelukkiger. Door simpelweg te aanvaarden dat je niet alles kan hebben, maar dat je ongelooflijk tevreden moet zijn met wat je hebt. Dat er altijd mensen zijn die meer zullen hebben dan jij, maar evenzeer mensen die minder hebben dan jij. Live the moment, weet je wel. Ik dacht dat ik dat al deed in mijn Belgische leventje, maar ik begrijp nu dat ik mezelf voor de gek hield.

I know, klinkt alsof ik de laatste dagen te veel blootgesteld ben aan New Age bullshit of dat ik met een serieuze zonneslag opgescheept zit. En neen, ik ben ook geen weekendje gaan picknicken met de Dalai Lama ofzo... Het is wel een gevolg van rondreizen, boeiende mensen ontmoeten, op jezelf aangewezen zijn. Ik vermoed dat het ook te maken heeft met het feit dat ik van de voorbije vier weken er drie in de natuur heb gespendeerd. De woofing in Emerald, de tomatenpluk in Shepparton en vorige week in Tasmanië. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk beslist heb om naar Tasmanië te gaan. The island’s island. Eerst drie dagen met een tourorganisatie en dan het weekend bij vrienden van Neve die daar in een klein dorpje wonen.

En dan nu opgepast: educatief gevaar! Een klein intermezzo met wat historische achtergrond, niet van wikipedia geplukt, maar uit eerste hand gehoord van de plaatselijke bevolking. Tasmanië heette oorspronkelijk Van Diemen’s Land, ontdekt door Nederlandse reislieden. Maar lang bleven die niet, afgeschrikt door de vreemde geluiden die uit het bos kwamen (de schrikbarende kreten van de Tasmaanse duivel) en de rookpluimen in de verte (communicerende aboriginals) dachten de Ollanders dat het eiland bezet was door reuzen en duivels. Dus besloten ze er een verbanningsoord voor gevangenen van te maken. Zo werd Van Diemen’s Land een plek waar al het gespuis van Europa verzameld werd. Ieren, Schotten, Nederlanders, Joegoslaven… Na enkele decennia wilden de Britten die zich ondertussen gevestigd hadden in Van Diemen van hun kwalijke imago af, de eerste stap in dat proces was een naamswijziging. Van Diemen’s Land werd Tasmania, genoemd naar Abel Tasman, de ontdekker van het eiland. Hoe dan ook –kwestie van de les kort en sober te houden- heeft Tassie heel wat te bieden. Op het eerste zicht een beetje Brits, met veel weides, boerderijen en koeien op het heuvelachtige landschap neergepoot. Dat wordt gecombineerd met prachtige witte stranden, groene baaien, rotsformaties en regenwouden. De Tasmaanse bevolking verschilt ook van de Australische : ze zijn minder robuust, nóg rustiger en gastvrijer.


Ik had geluk met de groep waarmee ik mijn driedaagse tour ondernam. Een kleine en zeer heterogene bende, bestaande uit drie Duitsers, een Bosnische, een New Yorker, een Canadees, een koppel Chinezen en een authentiek Tasmaanse gids. Zonder te forceren raakte iedereen met iedereen bevriend. Een wonderlijk proces om gade te slaan. De eerste avond overnachtte ik nog alleen in een hostel te Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Daar deelde ik de kamer met een 61-jarige Engelsman, een ex-leraar literatuur. Hij had de deuren van het klaslokaal noodgewongen achter zich dichtgetrokken omwille van een manklopend gehoor. Hij was voor 80 procent doof, maar via een ingebouwd hoorsysteem in zijn leesbril kon hij nu toch vlot communiceren. Een knap staaltje van techniek, one must say. Hij heeft me de hele avond onderhouden met een exposé over gehoorsystemen en architectuur. Twee uiteenlopende onderwerpen, ik weet het, maar de brave man slaagde er toch in die twee in elkaar te verweven. Waarna hij met een waarlijk imposante scheet –waarschijnlijk had hij die zelf niet gehoord, want ondertussen lag zijn (hoor)bril naast hem op het nachtkastje, ofwel is de man zeer rap op zijn gemak bij nieuwe vrienden, dat kan ook- onder de lakens kroop en knorrend in slaap viel.


Het summum van de driedaagse rondreis was een bezoekje aan Wineglass Bay. Een afgelegen baai die je enkel bereikt met wat klim- en afdaalwerk door ruwe bebossing. Het was omstreeks 5pm toen we met de hele bende voet zetten op het witte zand. Wallabies –de kleine broertjes van de kangoeroe- bleven ongestoord verder huppelen op het strand terwijl ik een duik nam in het glasheldere, groene zeetje. Een onvergetelijk moment in een onvergetelijke omgeving.

aangespoelde zeeleeuw en wallabie op Wineglass Bay

Vrijdagavond verliet ik de groep. Jaja, bleiten dat die deden, jongens toch! Maar veel tijd voor gesnotter was er niet, op zaterdag arriveerde Neve in Launceston, het stadje (nu ja, met 90000 inwoners de tweede grootste stad van Tasmanië). Daar zouden John en Dee, vrienden van Neve, ons komen ophalen om het weekend bij hen te logeren. Met wat oversimplificatie zou je John en Dee twee vijftigjarige hippies kunnen noemen, al vind ik dat tekort doen aan wie ze zijn. Hun huisje ligt in Lilydale, een boerendorpje van duizend inwoners, waar ze de leefruimte delen met de hond Jessie en de kat Smoosh. Hun hele leven staat in het teken van de natuur en harmonie met de omgeving. Alle producten en voeding die ze gebruiken, zijn organisch en biologisch verantwoord. Komen ofwel uit de eigen moestuin ofwel van één van de boerderijen of winkels uit het dorp. John geeft les aan mindervaliden en geestelijk gehandicapten. Dee is huisvrouw en dorpsactiviste. Wat die functie inhoudt, kan ik best illustreren met een concreet voorbeeld.


Toen Neve en ik daar verbleven, was ze volop bezig met de voorbereiding van een dorpsbijeenkomst om te protesteren tegen de teloorgang van het bosrijke gebied in Lilydale. Een zakenman heeft er een grote lap grond gekocht om daar nieuw bos aan te leggen. Goed, zou je denken, maar niets is minder waar. Door die kunstmatige plantage, mét gebruik van chemicaliën, zou het grondwater aangetast worden waardoor de helft van de plaatselijke bevolking zonder natuurlijk bronwater zou vallen en verplicht wordt naar de supermarkt te hollen. Blijkbaar is er geen enkele legale manier om die man te stoppen en die rel heeft het dorp in twee groepen verdeeld: de behoudsgezinden, die Lilydale willen houden zoals het was, met andere woorden zelfbedruipend en onafhankelijk. Aan de andere kant de opportunisten die met de komst van zakenmensen in hun gebied de dollars zien blinken. Zo is er een familie die een voedingszaak bezit en die de komst van de zakenman goed vindt, omdat ze op die manier hopen een nieuw cliënteel aan te boren wanneer alle werknemers van de plantages komen lunchen. Als protest voor zoveel opportunisme heeft een deel van de bevolking in Lilydale beslist niet langer inkopen te doen bij dat gezin. Het klinkt als het scenario van één of andere slechte Western film, maar het is echt. Het beste bewijs dat ook een dorpje van amper duizend inwoners zijn besognes en conflicten kent.


Maar om terug te komen op John en Dee, twee intrigerende figuren. Dee leeft bijvoorbeeld al twintig jaar zonder televisie. “En ik zou geen uur van mijn leven willen inruilen om een uur televisie te kunnen kijken”, gaf ze nog mee. Veel geld hebben ze niet, maar dat hoeft ook niet, het meeste voedsel maken ze zelf of krijgen ze van vrienden uit het dorp. Ik ben er drie dagen gebleven en heb er geen frank mogen betalen. De meeste tijd spendeerden we aan tafel. Met vegetarische schotels voor de neus, streekwijn in de glazen en interessante discussies om de uren te vullen.

Op zaterdagavond namen ze ons mee naar het landgoed van vrienden, gelegen op een berg met uitzicht op het dorp. Daar werd een minifestival georganiseerd, iets wat ze om de paar maanden doen. Dan mag iedereen die uitgenodigd is op het podium kruipen en ‘zijn ding doen’. Talent of geen talent, allen welkom. Topper van de avond was Gary, een oudere man die in de bibliotheek van Lilydale werkt. Hij nam de gitaar ter hand, plofte op z’n barkruk en begon te zingen. Fe-no-me-naal! Ik werd er helemaal stil van. De duisternis was ondertussen gevallen, de maan deed z’n lichtgevende werk en Gary zong alsof hij de nacht bezat. Een magisch moment. Nog één.

Op zondag werd ik dan door John uitgenodigd om mee te rijden naar een cricketwedstrijd. Zijn team speelde op verplaatsing. Hij had z’n teammaats gewaarschuwd dat er een internationale sportjournalist aanwezig zou zijn. Ik werd er ingewijd in de wondere wereld van cricket, maar toegegeven, na een halfuurtje vond ik de optie om een siësta in te lassen aanlokkelijker dan de optie om de voortkabbelende wedstrijd verder te volgen. Veel heb ik dus niet meer gezien van de wedstrijd (die soms een hele dag kan duren), maar ik maakte me er achteraf vanaf met de smoes dat ik enkel sport volg, geen cricket. Gelukkig werd mijn vorm van humor gewaardeerd, want zo’n cricketbat kan redelijk hard aankomen, me dunkt.

Op maandag dan teruggevlogen naar Melbourne, de stad die bijna mijn tweede thuis geworden is. Elke keer ik ergens vandaan kom, keer ik terug naar Melbourne. De heen- en terugvlucht naar Tasmanië had me alles bij elkaar 120 dollar gekost, omgerekend een 80 euro. Dus als ik een tip mag geven aan allen die ooit naar Australië reizen: vergeet Tassie niet!

Samengevat was de voorbije week in Tasmanië, en de mensen die ik er ontmoet heb, zo inspirerend dat ik tot de vaststellingen kwam die ik bij het begin van dit blogstukje vermeldde. Een momentopname, dat besef ik wel, maar eigenlijk hoop ik dat het meer is dan dat. Time will tell...

Dit was ook mijn laatste stukje blog als soloreiziger, vanaf zondag krijg ik het gezelschap van mijn lieftallige eega Anneke, die de Aussies Gents gaat leren praten en onze avonturen verder zal vastleggen op de gevoelige plaat. Wat dat voor de schrijfsels zal betekenen weet ik nog niet, maar de foto’s zullen in ieder geval een stuk beter zijn. Ajuus!