21/3/10

De geur van verbrand rubber



MacDonalds, zondag 21 maart, Warrnambool. Hier zit ik weer in mijn favoriete restaurant. ’t Is ondertussen bijna drie weken geleden dat ik nog eens iets schreef, dus er valt wel het één en ander te vertellen. Laat ik de draad oppikken waar ik hem vorige keer achterliet –neen, niet den draad, want we weten allemaal waar dié vandaan komt- en dat is in Melbourne. Melbourne Airport om exact te zijn. Alwaar een busje met vleugels uit Hong Kong landde en Anneke op Australische grond dropte. Over de eerste week ga ik verder niet veel uitwijden, het was weinig extravagant: verkennen van de stad, meestal plekken die ik eerder in mijn blog al beschreven heb. Bovendien kon Anneke moeilijk verbergen dat ze toch wat ontgoocheld was in haar eerste week Australië, Melbourne is nu eenmaal geen aantrekkelijke stad en redelijk gewoontjes...op ’t eerste zicht. Maar zoals ik tegen iedereen hier zeg: Sydney is mooier, maar Melbourne is een stad die je moet proeven en die na verloop van tijd aangenamer blijkt dan Sydney. Het is een stad die je langzaam meezuigt, waarna je sfeervolle plekjes ontdekt, in leuke caféetjes verzeilt en aangename mensen ontmoet. Dus tegen het einde van de week denk ik te mogen stellen dat Anneke Melbourne best wel kon appreciëren.







Het hoogtepunt van die eerste week was zowaar een sportevenement: de finale tussen St Kilda Saints en Western Bulldogs. Dan hebben we het over Australian Football, of Footy zoals ze hier zeggen. De nationale sport nummer één. De basis? Een voetbalveld zo groot als heel Zaventem (de lengte soms tot 180m en de breedte 150m), een rugbybal en twee teams van achttien gorilla’s, af en toe wat bizons en hier en daar een verdwaalde antilope die na ongeveer twee seconden compleet de vernieling in gebuffeld wordt. Om maar te zeggen: a sissygame, it ain’t. Het spel bestaat voornamelijk uit een bal die voortdurend de lucht in wordt geschopt en waarvoor dan zes of zeven van die gorilla’s elkaar de armen uitrukken om de bal te kunnen vangen. Het team dat de meeste armen overhoudt, wint. Anyway, hoewel ik vooraf oordeelde dat het een sport was voor ééncellige primitieven moet ik toegeven dat het eigenlijk best een entertainend kijkstuk is. Zelfs Anneke ging naast mij, samen met de 50000 anderen in het Etihad Stadium, uit haar dak wanneer er weer één of ander been vermorzeld werd bij een gevecht om de bal. Uiteindelijk gingen de Bulldogs aan de haal met de trofee, hun eerste prijs in ruim veertig jaar, Anneke en ik hebben dus al gepostuleerd als officiële mascotte van de club en bijbehorende vergoeding. Dat spreekt.




Genoeg over Melbourne en de stad, tijd voor wat real outdoor action en die kwam er al meteen vanaf maandag 15 maart, de dag dat onze Apollo-camper ter onzer beschikking werd gesteld. Dag één kwam het erop aan zoveel mogelijk accidenten te vermijden en te wennen aan de camper. Veilig en wel arriveerden we in de late namiddag te Emerald. De aandachtige lezer en/of trouwe volger van deze blog moet nu een bel horen rinkelen... ’t is de plek waar ik mijn ‘woofing’-ervaring opdeed. De Emily Hill Farm van Sue en Chester vormde immers de ideale tussenstop op weg naar de Wilsons Promontory, een natuurpark in het uiterste zuidelijke puntje van Australië. Bovendien kon ik op deze manier ook eens de kamer tonen waar ik mijn bijna-flauwvalmoment had met die reuzespin. De grap van de dag was dat toen ik Anneke de plek des onheils toonde, er net een andere megaspin op het bed zat. Ik zag haar -Anneke, niet de spin- bleek weg trekken en twee seconden later stonden we terug buiten. ’s Avonds dan nog wat kangoeroe’s gaan spotten op het landgoed van Sue’s zoon, Edward, maar echt kortbij zijn we niet geraakt. Later is dat wel gelukt, maar daarover verderop meer.

Na een eerste overnachting in onze camper op het idyllische domein van Sue en Chester reden we dinsdag verder richting Wilsons Promontory. Een zeer goede keuze om naar daar af te zakken en niet naar het meer toeristische Philip Island, dat wat verderop ligt. Wilsons biedt prachtige wandelingen door eucalyptusbossen, majestueuze zonsondergangen


op de vele witte zandbaaitjes die het schiereiland rijk is en het boeiendste van al: ongerepte wildlife. En geen georganiseerde pinguintour zoals op Phillip Island. Toen we ’s avonds ons bord spaghetti verorberden buiten aan onze camper hoorden we geritsel achter ons in het donker (er is nergens verlichting, dus het enige licht dat we hadden was dat van mijn koplampje), bleek een wombat te zijn. Mijn favoriete beesten hier in Australië...het enige dat ze doen, is wat rondhangen en mensen bekijken. Het zijn gezapige, kleine beertjes. Het enige wat ze al eens durven mispeuteren, is je eten komen stelen. Vergeleken met wat slangen en spinnen kunnen aanrichten, vind ik dat een klein en door de vingers te zien delict. Na ons diner werden we uitgenodigd door Stefan en Denise, een Nederlands koppel dat onder de boom naast de onze stond geparkeerd met hun Jeep. Terwijl de uren wegtikten en er met de minuut meer sterren aan de hemel leken te verschijnen, kroop allerlei gedierte rond ons. Gekraak en geritsel all over the place. Op een bepaald moment scheen ik met mijn supersonische koplamp in het struikgewas en kon ik nog net een wegsprintende vos spotten. Kan ik best begrijpen, ik zou mezelf ook niet in het donker willen tegenkomen. De volgende ochtend tijdens het douchen nog een Kookaberra (rechts), een vogel ter grootte van een papegaai die slangen doodt en kan lachen als een mens, gedag mogen zeggen en een possum (linksonder), een kruising tussen een rat en een eekhoorn. Of zoals Anneke het zegt: “Een mislukte mix van vanalles”. Gelukkig verstaat dat beest geen Nederlands.


Op dag drie trokken we van Wilsons Promontory terug richting Westen, overnachten in Sorrento, een haven aan Port Phillip Bay om daar de volgende ochtend de ferry te nemen richting Queenscliff en er op donderdag een trip langs de befaamde Great Ocean Road aan te vangen. Resumé van die eerste Great Ocean Road dag: veertig kilometer verkeerd gereden omdat ondergetekende de Erskine Falls niet kon vinden op zijn kaart en daarna de geur van verbrand rubber mogen ontdekken toen Anneke besliste om in het midden van een steile berg te stoppen en moest vaststellen dat het dan niet evident is om met een camper weer op gang te komen. Gelukkig konden we er op einde van de rit allebei om lachen. Overnachten deden we in Apollo Bay. Ondertussen zijn we al behoorlijk bekwaamd in het stiekem binnensluipen van hostels of campings om er gratis te douchen. Deze keer was de Surfside Hostel het slachtoffer van onze vermaledijde sluiptechnieken, een ideaal slachtoffer aangezien ik nog perfect wist waar de douches zich bevonden en hoe we de receptie konden ontlopen, nadat ik er bij een vorige trip op de Great Ocean Road met Stijn en Nico overnacht had. ’s Avonds opnieuw een Nederlands koppel leren kennen: Cliff en Karen. Ze zijn bezig aan een wereldreis van drie jaar, Cliff heeft ‘wat geluk gehad in de vastgoedsector’ (zoals hij het zelf verwoordde) en is met vervroegd pensioen. Samen met zijn vrouw Karen is hij op zoek naar een plek om de winters in Nederland te vermijden. Een driejaar durende prospectie met andere woorden. Maar geen slecht woord over de ‘Ollanders’, stuk voor stuk aangename gesprekspartners. Tegen 1u sloot de laatste bar in Apollo Bay en gingen we ieder huiswaarts. Voor ons betekende dat: Apollo Camper. We besloten de camper op het stukje gras te zetten vlak voor de Surfside Hostel, om op die manier de volgende ochtend weer makkelijk een douche te kunnen ‘stelen’. Eén ding over het hoofd gezien: dat we daar blijkbaar niet mochten staan. De kerel van de hostel wilde ons de volgende ochtend vijf dollar ieder aanrekenen voor het overnachten op zijn privégrond, maar op zo een momenten is een man blij dat hij een deerne met bambi-ogen meeheeft en dus wist Anneke met haar vermoorde onschuldblik een vrijgeleide te bekomen. Had ik haar nog even langer laten onderhandelen met de brave uitbater had hij ons waarschijnlijk ook nog uitgenodigd voor koffie en warme croissants als ontbijt.


Anyway, vrijdag verderzetting van de Great Ocean Road, langs obligate stoppunten zoals de Twelve Apostels (foto boven genomen vanuit de heli), Loch Ard Gorge, The Grotto en London Bridge. Het zijn typische toeristische plaatjes, maar je moet ze wel gezien hebben want de uitzichten zijn adembenemend. Tegen de avond kwamen we aan in Warrnambool, eindpunt van de Great Ocean Road. Daar zouden we overnachten en de volgende dag doorreizen naar de Grampians, een reservaat vol rotsformaties en aboriginaloverblijfselen. Zoúden, want op zaterdagochtend maakten de remmen van onze camper een niet al te kosjer geluid, dus wij even langs de garage voor een korte check-up en bleek dat de remmen vooraan dringend aan vernieuwing toe zijn. Om een lang verhaal kort te maken: sinds zaterdagochtend zitten we vast in Warrnambool, waar we moeten wachten tot maandagochtend om de remmen te kunnen vervangen.

Van de nood dan maar een deugd gemaakt en zo verzeilden we op zaterdag tegen het vallen van de avond in Tower Hill, een lap vulkanisch grond waar je a) een prachtige zonsondergang kan zien en b) massa’s wilde kangoeroe kan spotten. Zo werd zaterdagavond onverhoopt nog één van de hoogtepunten van de eerste week on tour: wij met z’n tweetjes temidden van een tiental grijze kangoeroe’s die ons toelieten tot op enkele meters van hen te naderen. Een moment waarop de wereld even stilstond. Geen levende ziel in de buurt, rond ons enkel uitgestrekte weilanden, een dode vulkaan en grazende kangoeroe’s. Terwijl in onze rug de zon zachtjesaan z’n bedje achter de horizon opzocht. Moraal van het verhaal: elk nadeel heb zijn voordeel. (copyright Johan Cruijff)


Het is nu zondag, en hier zit ik dan in de MacDonalds. Anneke die kruiswoordraadsels invult, ik die op mijn laptopje zit te potelen. Morgen hopelijk een nieuwe set remmen en hop, naar de Grampians!




5/3/10

A change is gonna come (copyright Otis Redding)


Yep, na vier maanden is het zover: Australië begint z’n tentakels in mijn brein te nestelen. Zo betrap ik mijzelf erop dat wanneer ik mijmerend over straat slof, Engels mijn denktaal is geworden. Of zoals vorige week toen ik tijdens het bekijken van een Amerikaanse film plots dacht: ‘Tiens, die auto’s rijden aan de verkeerde kant...’ Moet ik mij nu zorgen beginnen maken?

Ik merk ook dat mijn mentaliteit stilaan aan verandering onderhevig is. Vier maanden alleen rondreizen doet iets met een mens. Oorspronkelijk volgde hier nu een hele paragraaf met introspectieve reflectie, maar bij nalezing vond ik het toch net iets te veel “Liefste dagboek”-gehalte hebben, dus heb ik het bij een beknopte versie van mijn bevindingen gehouden. En die zijn: ontdaan van alle materiële balast (geen wagen, tv of overvolle kleerkast) en verplichtingen van allerlei soort (lopende rekeningen, werk,...) leer je de dag anders benaderen. Zeer verfrissend, moet ik zeggen. Je leert de dag te nemen zoals hij komt, je te laten leiden door het toeval en niet langer energie te verspillen aan negatieve zaken. Eén van die voornaamste boosdoeners in onze maatschappij is bijvoorbeeld de én-cultuur, zoals ik het graag noem. We willen alles en altijd maar meer. Aan dat én-tijdperk probeer ik nu voor mezelf een einde te stellen. Door te kiezen en te downsizen wordt een mens veel gelukkiger. Door simpelweg te aanvaarden dat je niet alles kan hebben, maar dat je ongelooflijk tevreden moet zijn met wat je hebt. Dat er altijd mensen zijn die meer zullen hebben dan jij, maar evenzeer mensen die minder hebben dan jij. Live the moment, weet je wel. Ik dacht dat ik dat al deed in mijn Belgische leventje, maar ik begrijp nu dat ik mezelf voor de gek hield.

I know, klinkt alsof ik de laatste dagen te veel blootgesteld ben aan New Age bullshit of dat ik met een serieuze zonneslag opgescheept zit. En neen, ik ben ook geen weekendje gaan picknicken met de Dalai Lama ofzo... Het is wel een gevolg van rondreizen, boeiende mensen ontmoeten, op jezelf aangewezen zijn. Ik vermoed dat het ook te maken heeft met het feit dat ik van de voorbije vier weken er drie in de natuur heb gespendeerd. De woofing in Emerald, de tomatenpluk in Shepparton en vorige week in Tasmanië. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk beslist heb om naar Tasmanië te gaan. The island’s island. Eerst drie dagen met een tourorganisatie en dan het weekend bij vrienden van Neve die daar in een klein dorpje wonen.

En dan nu opgepast: educatief gevaar! Een klein intermezzo met wat historische achtergrond, niet van wikipedia geplukt, maar uit eerste hand gehoord van de plaatselijke bevolking. Tasmanië heette oorspronkelijk Van Diemen’s Land, ontdekt door Nederlandse reislieden. Maar lang bleven die niet, afgeschrikt door de vreemde geluiden die uit het bos kwamen (de schrikbarende kreten van de Tasmaanse duivel) en de rookpluimen in de verte (communicerende aboriginals) dachten de Ollanders dat het eiland bezet was door reuzen en duivels. Dus besloten ze er een verbanningsoord voor gevangenen van te maken. Zo werd Van Diemen’s Land een plek waar al het gespuis van Europa verzameld werd. Ieren, Schotten, Nederlanders, Joegoslaven… Na enkele decennia wilden de Britten die zich ondertussen gevestigd hadden in Van Diemen van hun kwalijke imago af, de eerste stap in dat proces was een naamswijziging. Van Diemen’s Land werd Tasmania, genoemd naar Abel Tasman, de ontdekker van het eiland. Hoe dan ook –kwestie van de les kort en sober te houden- heeft Tassie heel wat te bieden. Op het eerste zicht een beetje Brits, met veel weides, boerderijen en koeien op het heuvelachtige landschap neergepoot. Dat wordt gecombineerd met prachtige witte stranden, groene baaien, rotsformaties en regenwouden. De Tasmaanse bevolking verschilt ook van de Australische : ze zijn minder robuust, nóg rustiger en gastvrijer.


Ik had geluk met de groep waarmee ik mijn driedaagse tour ondernam. Een kleine en zeer heterogene bende, bestaande uit drie Duitsers, een Bosnische, een New Yorker, een Canadees, een koppel Chinezen en een authentiek Tasmaanse gids. Zonder te forceren raakte iedereen met iedereen bevriend. Een wonderlijk proces om gade te slaan. De eerste avond overnachtte ik nog alleen in een hostel te Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Daar deelde ik de kamer met een 61-jarige Engelsman, een ex-leraar literatuur. Hij had de deuren van het klaslokaal noodgewongen achter zich dichtgetrokken omwille van een manklopend gehoor. Hij was voor 80 procent doof, maar via een ingebouwd hoorsysteem in zijn leesbril kon hij nu toch vlot communiceren. Een knap staaltje van techniek, one must say. Hij heeft me de hele avond onderhouden met een exposé over gehoorsystemen en architectuur. Twee uiteenlopende onderwerpen, ik weet het, maar de brave man slaagde er toch in die twee in elkaar te verweven. Waarna hij met een waarlijk imposante scheet –waarschijnlijk had hij die zelf niet gehoord, want ondertussen lag zijn (hoor)bril naast hem op het nachtkastje, ofwel is de man zeer rap op zijn gemak bij nieuwe vrienden, dat kan ook- onder de lakens kroop en knorrend in slaap viel.


Het summum van de driedaagse rondreis was een bezoekje aan Wineglass Bay. Een afgelegen baai die je enkel bereikt met wat klim- en afdaalwerk door ruwe bebossing. Het was omstreeks 5pm toen we met de hele bende voet zetten op het witte zand. Wallabies –de kleine broertjes van de kangoeroe- bleven ongestoord verder huppelen op het strand terwijl ik een duik nam in het glasheldere, groene zeetje. Een onvergetelijk moment in een onvergetelijke omgeving.

aangespoelde zeeleeuw en wallabie op Wineglass Bay

Vrijdagavond verliet ik de groep. Jaja, bleiten dat die deden, jongens toch! Maar veel tijd voor gesnotter was er niet, op zaterdag arriveerde Neve in Launceston, het stadje (nu ja, met 90000 inwoners de tweede grootste stad van Tasmanië). Daar zouden John en Dee, vrienden van Neve, ons komen ophalen om het weekend bij hen te logeren. Met wat oversimplificatie zou je John en Dee twee vijftigjarige hippies kunnen noemen, al vind ik dat tekort doen aan wie ze zijn. Hun huisje ligt in Lilydale, een boerendorpje van duizend inwoners, waar ze de leefruimte delen met de hond Jessie en de kat Smoosh. Hun hele leven staat in het teken van de natuur en harmonie met de omgeving. Alle producten en voeding die ze gebruiken, zijn organisch en biologisch verantwoord. Komen ofwel uit de eigen moestuin ofwel van één van de boerderijen of winkels uit het dorp. John geeft les aan mindervaliden en geestelijk gehandicapten. Dee is huisvrouw en dorpsactiviste. Wat die functie inhoudt, kan ik best illustreren met een concreet voorbeeld.


Toen Neve en ik daar verbleven, was ze volop bezig met de voorbereiding van een dorpsbijeenkomst om te protesteren tegen de teloorgang van het bosrijke gebied in Lilydale. Een zakenman heeft er een grote lap grond gekocht om daar nieuw bos aan te leggen. Goed, zou je denken, maar niets is minder waar. Door die kunstmatige plantage, mét gebruik van chemicaliën, zou het grondwater aangetast worden waardoor de helft van de plaatselijke bevolking zonder natuurlijk bronwater zou vallen en verplicht wordt naar de supermarkt te hollen. Blijkbaar is er geen enkele legale manier om die man te stoppen en die rel heeft het dorp in twee groepen verdeeld: de behoudsgezinden, die Lilydale willen houden zoals het was, met andere woorden zelfbedruipend en onafhankelijk. Aan de andere kant de opportunisten die met de komst van zakenmensen in hun gebied de dollars zien blinken. Zo is er een familie die een voedingszaak bezit en die de komst van de zakenman goed vindt, omdat ze op die manier hopen een nieuw cliënteel aan te boren wanneer alle werknemers van de plantages komen lunchen. Als protest voor zoveel opportunisme heeft een deel van de bevolking in Lilydale beslist niet langer inkopen te doen bij dat gezin. Het klinkt als het scenario van één of andere slechte Western film, maar het is echt. Het beste bewijs dat ook een dorpje van amper duizend inwoners zijn besognes en conflicten kent.


Maar om terug te komen op John en Dee, twee intrigerende figuren. Dee leeft bijvoorbeeld al twintig jaar zonder televisie. “En ik zou geen uur van mijn leven willen inruilen om een uur televisie te kunnen kijken”, gaf ze nog mee. Veel geld hebben ze niet, maar dat hoeft ook niet, het meeste voedsel maken ze zelf of krijgen ze van vrienden uit het dorp. Ik ben er drie dagen gebleven en heb er geen frank mogen betalen. De meeste tijd spendeerden we aan tafel. Met vegetarische schotels voor de neus, streekwijn in de glazen en interessante discussies om de uren te vullen.

Op zaterdagavond namen ze ons mee naar het landgoed van vrienden, gelegen op een berg met uitzicht op het dorp. Daar werd een minifestival georganiseerd, iets wat ze om de paar maanden doen. Dan mag iedereen die uitgenodigd is op het podium kruipen en ‘zijn ding doen’. Talent of geen talent, allen welkom. Topper van de avond was Gary, een oudere man die in de bibliotheek van Lilydale werkt. Hij nam de gitaar ter hand, plofte op z’n barkruk en begon te zingen. Fe-no-me-naal! Ik werd er helemaal stil van. De duisternis was ondertussen gevallen, de maan deed z’n lichtgevende werk en Gary zong alsof hij de nacht bezat. Een magisch moment. Nog één.

Op zondag werd ik dan door John uitgenodigd om mee te rijden naar een cricketwedstrijd. Zijn team speelde op verplaatsing. Hij had z’n teammaats gewaarschuwd dat er een internationale sportjournalist aanwezig zou zijn. Ik werd er ingewijd in de wondere wereld van cricket, maar toegegeven, na een halfuurtje vond ik de optie om een siësta in te lassen aanlokkelijker dan de optie om de voortkabbelende wedstrijd verder te volgen. Veel heb ik dus niet meer gezien van de wedstrijd (die soms een hele dag kan duren), maar ik maakte me er achteraf vanaf met de smoes dat ik enkel sport volg, geen cricket. Gelukkig werd mijn vorm van humor gewaardeerd, want zo’n cricketbat kan redelijk hard aankomen, me dunkt.

Op maandag dan teruggevlogen naar Melbourne, de stad die bijna mijn tweede thuis geworden is. Elke keer ik ergens vandaan kom, keer ik terug naar Melbourne. De heen- en terugvlucht naar Tasmanië had me alles bij elkaar 120 dollar gekost, omgerekend een 80 euro. Dus als ik een tip mag geven aan allen die ooit naar Australië reizen: vergeet Tassie niet!

Samengevat was de voorbije week in Tasmanië, en de mensen die ik er ontmoet heb, zo inspirerend dat ik tot de vaststellingen kwam die ik bij het begin van dit blogstukje vermeldde. Een momentopname, dat besef ik wel, maar eigenlijk hoop ik dat het meer is dan dat. Time will tell...

Dit was ook mijn laatste stukje blog als soloreiziger, vanaf zondag krijg ik het gezelschap van mijn lieftallige eega Anneke, die de Aussies Gents gaat leren praten en onze avonturen verder zal vastleggen op de gevoelige plaat. Wat dat voor de schrijfsels zal betekenen weet ik nog niet, maar de foto’s zullen in ieder geval een stuk beter zijn. Ajuus!