17/2/10

Er was eens... een jongen uit de stad

‘Go back to the city, boy, that’s where you belong.’

Nee, het is me niet gezegd, maar het had gekund. Eigenlijk is het een stemmetje dat tegen me sprak toen ik op de trein terug zat van het landelijke Lilydale, gelegen aan de rand van het Dandenong gebergte, naar Melbourne. Het einde van een week werken en slapen op de Emily Hill Blueberry Farm te Emerald. Even proeven van het ‘woofing’-principe, een systeem dat in Australië vaak toegepast wordt en waarbij voornamelijk backpackers op een boerderij of landgoed gaan werken in ruil voor kost en inwoon. Het leek me een beter idee dan weer een week (of twee) in de stad te lanterfanten en geld te spenderen. Bovendien zou ik op die manier, na mijn tomatenavontuur, weer even in touch met de natuur komen. Wat toch ook één van de redenen was waarom ik naar Australië afzakte.


Ik kwam er in de handen terecht van Sue en Chester, een koppel van rond de 60, die met de Emily Hill Farm een enorme lap grond bezitten dat hen eigenlijk veel te groot is geworden. Honey (een boxer), Teddy (een terriër) en Meegs (een mengeling van vanalles) zijn er de drie lijfwachten van dienst. Verder nog enkele kippen –negen om exact te zijn, die moest ik namelijk elke avond tellen alvorens ze weer in hun hok te jagen-, koeien, ossen, alpacas (een soort lama, zie foto), eenden, hagedissen, slangen en vooral veel spinnen. Groot en klein, maar vooral groot. Ze doden is uit den boze, deze organical farm staat immers achter de filosofie van wild life conservation. Groenten worden uit de eigen tuin geplukt, regenwater wordt tot drinkwater gedistilleerd, brood wordt zelf gemaakt, aardappelen zelf geteeld en spinnen worden nooit, NOOIT, gedood.


Ik heb gezondigd, Mijn Heer. Na welgeteld twee dagen. Samen met Reiko, een Japanse die al enkele weken op de boerderij... euh... ‘woofte’, hadden wij ons onderkomen in de schuur. De familie woonde honderd meter verderop in een moderne woning met een werkelijk fenomenaal uitzicht op hun landgoed. Nu, onze schuur was ook niet onaardig. Tamelijk modern ingericht, met tv, keuken en jawel, verlichting. Maar de garageboxen met alle materiaal lagen er pal naast en de deuren stonden er 24u op 24u open. Met andere woorden: Welcome my animalfriends! Ik kan u vertellen, geen mug of insect kan mij in België nog irriteren na mijn snelcursus insectmanagement op de Emily Hill Farm. En doden mag dus niet, de truuk is dat je in een kamer naast de jouwe (bijvoorbeeld in het opberghok) het licht aandoet zodat alle beesten naar daar verhuizen en jouw kamer insectenvrij wordt. Lukt aardig, hoor. Behalve voor de spinnen, die zijn lichtimmuun zo mocht ik ondervinden. Dag twee dus. Moe van een dag hard labeur (onkruid wieden bij 38 graden, zes uur aan een stuk) liep ik de trappen op naar mijn bed, knipte het licht aan en zag hoe een spin ter grootte van mijn handpalm –echt niet overdreven!- en met nog harigere poten dan de mijne zich een baan naar mijn bed toewerkte. Omdat er geen reanimatieteam in de buurt te bekennen viel, besloot ik toch maar niet van mijn sus te gaan. Om niet compleet belachelijk over te komen op Reiko liet ik ook het hysterisch gillen achterwege. Reiko, opgegroeid op een rijstplantage nabij Kobe, wist wel hoe met zo’n harig ongedierte om te gaan: gewoon negeren en onder de wol kruipen. Say what?!!!!! Geen haar op mijn hoofd dat daarmee akkoord ging. Enfin, omdat Reiko aanvoelde dat mijn stadsreflexen zouden zegevieren, begaf ze zich naar haar kamer om mij zo de gelegenheid te geven te doen wat ik moest doen... Eerst probeerde ik spinnemans nog te vangen in een plastieken kom, maar tot mijn verbazing bleek hij niet vriendelijk te wachten tot ik hem kon vangen. Uiteindelijk stierf spinnemans een chemische dood na een gemene en laffe spray-aanval. Ik had gezondigd tegen de wetten van de Emily Hill Farm. Sorry.

Enfin, om de week samen te vatten, het werd een leerzame test op twee fronten. Enerzijds het levensritme en de confrontatie met de natuur. Anderzijds het samenleven met iemand van een totaal verschillende cultuur dan de mijne.

Een doorsneedag zag er zo uit: opstaan om 6u30, ontbijten, Chester en Sue komen aan de schuur toe om 7u15 nadat Reiko en ik de poorten en de winkel op het landgoed gaan openen zijn. Werken (grasmaaien, onkruid wieden of rotte planten te lijf gaan met schop en riek) tot 10u30, dan was er immers een kleine theepauze voorzien. Terug beginnen om 11u tot 13u. Nadien lunch bereiden en afruimen. In principe volgde dan het rustgedeelte, maar Sue zorgde ervoor dat er altijd wel iéts te doen viel. Planten water geven, honden voederen, de schuur opkuisen etcetera... ’s Avonds werden we dan ofwel bij hen thuis uitgenodigd om te eten, ofwel gaven ze ons wat vlees om zelf te bereiden in onze schuur. Om 19u moesten de kippen in hun hok en de poorten van het landgoed weer gesloten worden. Daarvoor kregen we de ‘Twister’ tot onze beschikking: een quad om de toch aanzienlijke afstanden mee af te leggen. Eigenlijk was dat het leukste gedeelte van de dag. Bij zonsondergang met de Twister rondhossen en de wind in je haren voelen terwijl je van het uitzicht geniet. Voor het slapen gaan nam je dan nog snel een douche in de badkamer die zich buiten de schuur bevond. Spinnen (niet de grote harige, gelukkig) en allerlei andere insecten bewogen rond je, maar daar wen je verbazend snel aan. Uiteindelijk hebben die beesten meer schrik van jou dan omgekeerd, heb ik daar geleerd.


Tot zover de eerste challenge. Dan de tweede: de Aziatische cultuur. Reiko was een vriendelijk meisje, 31 jaar, klein en tenger. Dapper en haast emotieloos. Een beetje zoals ik het me had voorgesteld van een Japans meisje, om eerlijk te zijn. Hoewel ik mezelf op dat vlak toch graag openminded mag noemen, bleek het niet evident om dag in en dag uit met een Aziatische samen te leven. Het is bijvoorbeeld heel lastig om in te schatten wat ze bedoelen met hun carnaval aan geluiden. OOO, AAA, MMM en alles begeleid met een schuin of knikkend hoofdje. Je weet dus nooit echt zeker of ze iets positief of negatief beantwoorden, waarna je dan tien keer vraagt: “You mean yes or no?” Waarna zij weer: “Oooo, aaahhh,mmm...” In haar ogen geen spoor van bevestiging te lezen. Een ander aspect van hun cultuur is dat, zeker de vrouwen, zichzelf nooit een rustmoment gunnen. Zodra er een dood moment dreigde te vallen, zocht Reiko een nieuwe taak om te vervullen. De was doen, de keuken opkuisen (zelfs al was die kraaknet), lunch voor de volgende dag maken,... eender wat. Alsof ze bang was een moment van bezinning toe te laten. Van de wereld wist Reiko, hoewel in haar thuisland bankbediende, bijzonder weinig. U2? Nooit van gehoord. België? Nooit van gehoord. Zorg gewoon dat je altijd iets om handen hebt, was het devies. Soms denk ik dat het op die manier is dat de overheid in vele Aziatische landen het volk dom en vooral koest probeert te houden. Al is het uiteraard gevaarlijk verregaande conclusies te koppelen aan één enkele ervaring. Maar toch. Het feit dat Sue en Chester voornamelijk en graag Aziaten zien toekomen op hun farm, pleit in het voordeel van mijn theorie. Uitbuiting is van alle tijden.Een ander aspect waren de eetgewoonten. Slurpen en smekken alsof het een Olympische sport betrof en zij glorieus voor goud ging. De eerste dagen negeer je dat nog makkelijk, maar na een tijd begint dat vlakaf te irriteren. Besluit na dat weekje Japanologie: misschien ben ik dan toch niet zo tolerant en openminded als ik dacht? Ik weet het niet. Misschien moet ik hetzelfde principe als Reiko hanteren: altijd werk creëren zodat je daar niet hoeft over na te denken.

Reiko in het winkeltje van de Emily Hill Farm

Uiteindelijk vond ik de verhouding werk/rust –zeker aangezien er geen rotte frank mee verdiend werd- toch te weinig in balans om langer dan een week op de organical farm te blijven, op zaterdag keerde ik dus terug naar Melbourne. Het stemmetje in mijn hoofd had gewonnen: “Go back to the city, boy, that’s where you belong.” Aan een koffietje slurpen, met de mensen praten, schrijven, in een boek bladeren, kranten uitpluizen, cultuur absorberen. Ik besef nu ten volle dat dat de olie is die mijn motor doet draaien.

Maandag trouwens nog naar een concert van AC/DC (of AccaDacca zoals ze hier zeggen) in de Etihad Arena gaan kijken. De oerrockers in hun hometown kunnen bewonderen, was een kans die ik niet kon laten liggen. 65000 dolgedraaide Aussie’s in een joekel van een zaal, een uniek zicht. Bovendien bleken de oude knakkers van AC/DC nog bijzonder vitaal en brachten ze een twee uur durende ode aan de eeuwige jeugd. Als ik op mijn zestigste nog zo kan rondhuppelen als Angus 'the devil in his fingers, the blues in his soul' Young zal ik de Heer zeer dankbaar zijn.

En het plan nu? Ik geef mezelf een week om een tijdelijke job in de stad te vinden, maar als dat niet lukt, spring ik waarschijnlijk het vliegtuig op naar Tasmanië. Die binnenlandse vluchten kosten immers amper 79 dollar. Aanvankelijk was het plan om daar in een Boeddhistisch klooster een tiendaagse meditatieretraite te volgen (gratis kost en inwoon, enkel een donatie na afloop gevraagd), maar die cursussen beginnen op vaste data en ik heb die van februari net gemist en die van maart is te laat aangezien Anneke dan overkomt. Ach, we zien wel, en jullie lezen het volgende keer.

Ciao!

6/2/10

'The poorer the country, the harder they work'

Net terug voor een weekendje in Melbourne na een eerste try-out week in het tomatenplukken. Buiten spelen zon en wolken haasje over, typisch Melbourne-weer is dat. “Melbourne has four seasons in one day”, luidt een plaatselijk gezegde en dat klopt. Hoewel meestal zonnig waait er doorgaans een koele wind door de stad. Heeft te maken met de ligging van Melbourne: net op een twistpunt waar Antarctische luchtstromen in de clinch gaan met zwoele luchtstromen vanuit de Australische outback. Tot zover de Frank Deboosere in mij, even stop en rewind naar de eerste zin van deze inleiding...het tomatenplukken.


Normaal gezien had daar ‘frambozen plukken’ moeten staan, zoals ik op het einde van mijn vorige stukje schreef, maar door een vertraging van de oogst was er op de Silvan Estate –waar ik dus een job kreeg- nog niet voldoende werk voor handen. Dus in plaats van een week met mijn vingers te zitten draaien en geld op te doen, besliste ik mee op de kar springen bij Aline, een vrolijke Brugse die ik in een hostel te St Kilda leerde kennen. Zij zou op maandag met haar reisbusje richting binnenland trekken (Rochester) om daar tomaten te gaan oogsten. Op maandagochtend om 8u wij dus naar Rochester. Naam en adres van de plek waar we verwacht werden, hadden we niet. Bel maar als je in het dorp bent, was ons gezegd. Toen bleek dat we ons naar een echt desolate plek moesten begeven, enkel te bereiken via kiezelpaden en met amper drie woningen in een straal van twintig kilometer ofzo, moet ik toegeven dat er toch enige scepsis in het achterhoofd opborrelde. Een naam van de tomatenboerderij wilden/konden de mensen met Aziatische tongval aan de andere kant van de lijn immers niet geven. Na ettelijke kilometers in niemandsland te hebben gereden en op een tweesprong te zijn beland (zie foto boven), kwam er uiteindelijk een wit bestelbusje op ons afgereden. Vooraan twee Indiërs, achterin enkele jonge blanke gasten. Ze zouden binnen de tien minuten terugkeren, eerst even de jongens droppen. Terwijl het bestelbusje weer wegstoof, maakten de jongens op de achterbank tekens naar ons: ze deden het mes-op-de-keelgebaar. Jeezes, thanks boys, very comforting!


De tomatenvelden waren goed weggestopt en daar was een reden voor: het was een illegale handel. Omdat er zonder contracten gewerkt werd en omdat we zelf nog accomodatie moesten zoeken en dat niet onmiddellijk vonden, besloten we in de namiddag verder te rijden naar Shepparton, het kloppende hart van de hele fruitteeltindustrie, dat een uurtje verderop lag. Op de weg naar daar stopten we in zo ongeveer elke orchard of farm die we tegenkwamen om daar zo vriendelijk mogelijk te vragen of ze –please- geen jobje voor ons hadden.


Tomaten dus... Cosi, een kleine Australische olijkerd, zei dat we de volgende dag mochten starten. Op dinsdagnamiddag (in de ochtend nog enkele verblijfplaatsen gaan zoeken en ons inschrijven bij de Harvest Labour Office) begonnen we er aan. Nik, een Roemeen van rond de vijftig, zorgde voor de introductie. “You pick everything with colors. Not small, it doesn’t fill your bucket.” Betaling gebeurde per bin, 65 dollar netto, maar als je weet dat er in 1 bin ongeveer 34 buckets (emmers) gaan, kon je al op voorhand raden dat koningin Fabiola nog sneller van permanente zou veranderen dan dat wij een bin zouden vullen. Van 14u tot 18u doken we die dag met onze handen in de lage plantengroei, op zoek naar ‘everything with colors’. Zestien emmers kregen we in die tijdspanne gevuld, niet eens een halve bin. Nik stelde ons gerust: voor een eerste keer is dat niet erg, je wordt daar beter in. ’s Avonds dan naar een caravan park om daar goedkoop te overnachten in de van en toch min of meer uit te rusten voor onze eerste volledige werkdag op de tomatenboerderij. ’s Nachts gewekt door gehuil van honden (of waren het dingo’s?) en geroep van mensen. Heel bizar geluid. Griezelig.





Woensdag werkten we van 9u tot 18u en wisten we welgeteld één bin te vullen, met twee. Rond ons konden Japanezen, Indiërs, Nepalezen en Guineeërs hun binnenpretjes niet verhullen. Europeanen zag je hier niet. Geen toeval, tomaten plukken is leeuwenwerk, zo leerde ik snel. Je moet constant gebukt lopen en de tomaten liggen meestal onder een heel kluwen van wildgroei weggemoffeld, wat deze groente tot de moeilijkste om te plukken maakt. In de Harvest Labour Office vertelden ze ons later dat tomaten het ergste is wat je als ‘plukker’ kan doen. Appelen en peren, daar brandt de lamp! Maar daar is voorlopig nog te weinig werk beschikbaar. Er staan werkelijk honderden kandidaten op de wachtlijst.



Terwijl het werkvolk in de groenten duikt, rijdt Nik gedurigaan met zijn traktor op de akkers af en aan. Als een herdershond rond zijn schapen. Een speciale, enigmatische figuur, die Nik. Zijn gezicht staat vol groeven, duidelijk getekend door een hard leven, de wangen ingevallen, het lichaam uitgewrongen. Maar zijn ogen zijn felgroen en stralen toch een soort levensvreugde en wijsheid uit. Hij is overduidelijk geen jongen van de schoolbanken, maar de dingen die hij zegt, getuigen van veel wijsheid. “Het is normaal dat jullie niet sneller kunnen werken”, orakelt hij vanop zijn troon, de traktor, die aan zijn lichaam lijkt te zijn vergroeid. “Jullie komen uit een welstellend land. De beste plukkers komen uit arme landen. The poorer the country, the harder they work.” En welke nationaliteit werkt dan het hardst, wil ik dan wel eens weten? “That must be the Cambodians”, antwoordt Nik zonder verpinken. Hij wijst naar een klein, tenger meisje in de uithoek van het immense tomatenveld. Ze werkt alleen (de meesten werken in groepjes, kwestie van toch wat te kunnen praten ondertussen) en het was me al opgevallen dat ze tijdens de hele werkdag amper stopt om te drinken of eten. “Dat is een Nepalees meisje, ze weegt met moeite 35 kg, maar ze is mijn beste plukker. Vijf tot zes bins per dag. Op haar eentje.” Ik denk dat Nik de verbazing op mijn gezicht kon lezen want hij grijnsde even zijn onvolledige rij tanden bloot. “Maybe you can write a story about that.” Toen hij vroeg wat ik in België deed als job, had ik hem immers verteld dat ik wel eens een stukje durfde schrijven tegen betaling...





Overigens gaf Nik nog mee dat hij een tijdje in België en Nederland had gewoond en gewerkt, in Luik en Groningen. Daarna in Maryland, in de VS. In totaal leefde hij al 28 jaar op het ritme van de fruit- en groententeelt. Dat wil zeggen: opstaan om 5u en naar huis om 20u ’s avonds. Toen ik hem vertelde dat die tomatenpluk toch echt niet goed was voor de rug, toonde hij mij zijn bewerkte rug: twee operaties waren het gevolg van die 28 jaar labeur. Een stuk van zijn ruggewervel was eruit gehaald. Maar klagen? Neen. Zijn ogen glinsterden, ergens was hij wel fier op zijn doorzettingsvermogen, ja. Terecht.


“Morgen geef ik jullie een beter stukje grond om te plukken”, verraste Nik plots. Die eerste twee dagen waren een test: om te zien of wel hard genoeg wilden werken had hij ons de slechtste rijen gegeven, waar amper nog iets te plukken viel. Vandaar het trage vullen van de emmers. Hij gaf toe verbaasd te zijn dat we het zo lang volhielden, eerder die dag hadden bijvoorbeeld twee Koreanen al na drie emmers hun boeltje gepakt. Yes Sir, we beat the Koreans!

Die woensdagavond besloten Aline en ik om met de van ergens op straat te gaan staan en daar te overnachten in de buurt van de velden, om zo vroeg mogelijk te kunnen starten én om geld uit te sparen. Van slapen kwam echter weinig in huis. Buiten stormde het en op een bepaald moment hoorden we glas breken en honden blaffen. Even paniek, maar ik probeerde rust te prediken, het was waarschijnlijk door de wind, dacht ik. Enkele uren later -ik was net eindelijk in slaap gesukkeld- stonden er plots twee agenten aan het raam van ons busje. Niet om ons weg te jagen, zo bleek snel, maar om te vragen of we iets gehoord of gezien hadden die nacht. Net om de hoek was immers een inbraak gepleegd in een winkel. Holy crap! Enfin, om een lang verhaal kort te maken, echt uitgeslapen was ik niet toen we om 6u ’s ochtends op het tomatenveld verschenen. Een prachtige zonsopgang, dat wel, maar echt genieten doe je op dat moment helaas niet. Voor mijn part mocht daar een tros wulpse bosnimfen door de lucht zwermen, ik zou het waarschijnlijk niet eens opgemerkt hebben. Ik kon alleen maar denken aan de lange dag die voor mij lag en de veel te korte nachtrust die achter mij lag. De vliegen klitten op je hoofd, langen mouwen en broek zijn verplicht om je te beschermen tegen de brandende zon. Occasioneel ontvouwt er zich een spontane windhoos die het stof over de velden jaagt. Om maar te zeggen: fun, it ain’t.


Toen het op de middag, na zeventien buckets, begon te regenen, werd de werkdag afgeblazen. Meteen het einde van onze tomatenervaring.We hadden het geprobeerd, maar ’t was niets voor ons. Op vrijdag dan ons geld voor twee bins opgehaald, 130 dollar op drie dagen tijd. Eureka! Landeigenaar Cosi begreep het en we namen in alle amicaliteit afscheid, Cosi waardeerde het zelfs ‘that we gave it a try.’



En nu dus weer even in Melbourne, waarschijnlijk trek ik maandag naar een organical farm waar ik in ruil voor wat klusjeswerk gratis kost en inwoon krijg. Een plek die me is aangeraden door Pam, van de frambozen, in afwachting van een betaalde job bij haar op de raspberriefarm. Lijkt me nog een goed plan. Cows, beware of your milk, here I come!



Een quote die ik nog vergeten was te vermelden in mijn vorige blog over Melbourne maar die ik jullie zeker niet wil onthouden, omdat ze zo mooi de sfeer in Melbourne weergeeft:


“Due to a lack of traffic we are too early on our schedule. We have to wait for a couple of minutes more. Sorry for the inconvenience.” (de tramconducteur enkele weken geleden, qua contrast met het fileleed in Brussel kan dat wel tellen)



Nog vlug wat random foto's meegeven vanuit Melbourne, die ik vorige keer niet meer kon meegeven. De eerste een shot vanop de Australian Open, waar ik onverwacht toch de vrouwenfinale Serena-Justine kon meepikken (foto is echter van match Henin-Wickmayer). De tweede een beeldje van de tentoonstelling van Rob Mueck, een Australische kunstenaar die 'levensechte' beelden maakt van mensen in ongewonen poses of situaties. Best wel goed...en ideaal voor vreemde foto's. :-) Derde foto van de openluchtcinema in Melbourne. Gezellig, betaalbaar en excellente filmkeuze. Ik zag er The Boys are back, een Australische film van Scott Hicks, met Clive Owen in de hoofdrol en vooral prachtige muziek van Sigur Ros.