23/1/10

In de ban van de gele bal

Eindelijk eens uitgeslapen en de rolluiken van mijn bewustzijn pas geopend omstreeks 10u30. Het effect van voor het eerst sinds lang nog eens een eigen kamer te hebben, laat zich meteen gevoelen. Net een ontbijtje (koffie, egg on toast en bacon) achter de kiezen gestoken in Spuntino, een gezellig, klein ontbijtcafé (foto links) op een boogscheut van het strand en waar ik op dit eigenste moment op mijn laptop zit te tokkelen. Op de achtergrond zoemt de ene soulclassic na de andere voorbij: Sam Cooke, Aretha Franklin, The Four Tops. Yes, my kinda music, brother! Het gaf me meteen de goesting om te schrijven. En hier zijn we dus, eindelijk nog eens met een update van mijn blog.

Ik verblijf momenteel in St Kilda, een buitenwijk van Melbourne, gelegen aan het strand. Een vreemde buurt, overdag lieflijk en rustgevend, 's avonds een explosief kruitvat van marginale types all around. In tien minuutjes sta je met de tram in het centrum. Buiten regent het lichtjes, een welgekomen verfrissingskuur na de zwoele dag gisteren, toen de thermometer constant 36 graden aanwees. Het is bijna mijn derde week hier in Melbourne, maar laten we beginnen bij het moment dat ik de vorige blog eindigde: aan de voet van Mount Koscuizko in Thredbo.


Toen waren we dus nog met z’n gedrieënd; Stijn, Nico en ondergetekende. Het beestje Koscuizko bleek uiteindelijk makkelijker getemd dan verwacht, nu ja, wat stelt een bergje van 2500 meter voor als je de Botrange en de Baraque Fraiture gewend bent, nietwaar... Het landschap in het hooggebergte was redelijk kaal, maar ik vond de uitzichten zeker de moeite om eens gezien te hebben...de stilte daarboven en de koele wind doen iets met een mens. Bovendien geeft het een kick om het hoogste punt van Australië te bereiken(foto boven), ook al liep de tocht via een mooi aangelegd padje waar zelfs tienjarige meisjes gezwind naar boven huppelden. Iets vlotter zelfs dan de drie hijgerige dertigers die de voorbije weken veel te weinig hadden gesport en vooral veel te veel hadden gegeten. Op de terugweg waren er een paar helden die per BMX het laatste stuk afdaling afwerkten, waarbij we een paar heroische exemplaren zwaar op hun gezicht zagen gaan. En wij maar lachen van op onze kabellift. (foto rechts)

Na Thredbo trok onze Mitsubishi Lancer richting Melbourne, voor een tussenstop in de stad alvorens de Great Ocean Road te gaan verkennen. De Great Ocean Road is één van de voornaamste trekpleisters aan de Zuidkust van Australië. Een baan van ongeveer 150km die je langs idyllische stukjes strand voert en waar je met de Twelve Apostels (foto links) één van de ondertussen 648 wereldwonderen aantreft. Het werd een mooie tocht. Iets minder leuk voor Nico die door het bochtige wegenwerk achterin de auto het aanvankelijke enthousiasme plaats voelde maken voor opkomende misselijkheid. En toch niet horen klagen. Sterk, Nico! De Great Ocean Road maakte zijn naam en faam waar, de verschillende baaitjes (rechts) en stranden waren prachtig. De Twelve Apostels, waarvan er nog maar zes overblijven –de zes andere zijn door het eeuwenlange beuken der golven al gesneuveld-, staken fier boven het water uit. Het is een wonderlijke kuststrook, maar de verhalen uit het verleden leerden ons wel dat het destijds levensgevaarlijke plekken waren voor de ontdekkingsreizigers. Meer dan tachtig schepen voeren er op de klippen. Nu, ook voor de moderne toerist kan het een ongure plek zijn: miljoenen vliegen plakken er op je gezicht. Ze weg slagen lukt amper, het is alsof je een wandelende pot confituur bent, so you better live with it. Slapen deden we in Apollo Bay, in een houten barak uitgebaat door ex-hippies. (foto links)
Comfortwaarde ongeveer nul, maar de sfeer was onbetaalbaar. (ondertussen speelt hier My girl van The Temptations op de radio, o yeah!)





Onze tweede nacht aan de Great Ocean Road spendeerden we in Warrnamabool, een studentenstad was gezegd, maar daar viel weinig van te merken. Niet onlogisch als je bedenkt dat het hier momenteel schoolvakantie is. Van daaruit reden we de volgende dag in één stuk door terug naar Melbourne (foto onder, bovenaanzicht van Federation Square en Flinders Street, het kloppend hart van Melbourne). Nico had er nog vier dagen te gaan en dan wachtte hem het vliegtuig terug naar België. Ieder op ons eigen tempo verkenden we de stad. Nico op zoek naar bezienswaardigheden, Stijn en ik op zoek naar aangename terrasjes, wij hadden immers wat meer tijd om de stad te ontdekken. Maandag, de dag dat Nico vertrok, bleek in Melbourne de warmste dag van het jaar te worden: tot 45 graden!!! Stijn vulde die wijselijk in met een haast foutloze impressie van een koala: rondhangen, slapen en zo min mogelijk bewegen. Ikzelf probeerde weer het één en ander te bewijzen door plat op de middag rond te hossen in de stad. En ’s avonds hoofdpijn uiteraard. Some people never learn. Het feit dat het die nacht ook nog eens de warmste nacht (31 graden) sinds 1902 bleek te worden in Melbourne hielp evenmin. Maar kom, toch het landelijke nieuws gehaald...


Stijn en ik hadden nog een week onder ons tweeën vooraleer hij naar Nieuw-Zeeland doortrok. Een leuke week, waarin we onze grenzen inzake beweeglijkheid nog maar eens verlegden. We hebben ons aan het golven gewaagd. Man, wat een wereldsport! Nooit iets van begrepen waarom daar zoveel om te doen is, maar ineens heb ik het licht gezien. Als volleerde amateurs –een contradictio in terminis, maar hier wel op zijn plaats, vind ik- trokken we naar de eerste de beste driving range die we konden vinden om er enkele balletjes te slaan. Je betaalt dan 16 dollar voor een emmertje van honderd balletjes, je krijgt twee stokken in de handen geduwd en je bestelt twee pintjes om het zware slaglabeur lichter te maken. Dus daar stonden we, op het eerste verdiep, op een vierkant stukje kunstgras, met voor ons een uitgestrekte lap grond waarop enkele bordjes de afstanden aangaven: 75 meter, 100 meter, 150, 200, 250... Een gebied bezaaid met gele golfballetjes. Naast ons waren enkele pro’s aan het werk, een swing alsof ze ter plekke de lambada heruitvonden. En dan wij, lurkend van ons pint, levensbang om die eerste balletjes te kloppen. Het werd een hilarische namiddag. Stijn slaagde er zowaar in om het eerste kwartier ongeveer telkens tien pogingen nodig te hebben om ook maar iéts te raken. Bij elke swing keek hij hoopvol in de verte om ergens zo’n geel ding te zien landen, tot hij elke keer teleurgesteld moest vaststellen dat het balletje nog aan z’n voet lag. Man, man, man, nu ik er aan terugdenk krijg ik opnieuw tranen in mijn ogen van’t lachen. Stuur zoiets op naar Videodinges en je wint zonder enige tegenstand de hoofdprijs. En ja hoor, er bestaan beelden en zelfs filmpjes van! Nu, ere wie ere toekomt, tegen de tijd dat we aan ons tweede emmertje van honderd balletjes begonnen, was het wel Stijn die mooiste en verste balletjes sloeg. Enfin, om het golfhoofdstuk af te sluiten: heerlijk om te doen en we hebben al afgesproken om daar later in België een vervolg aan te geven.


In diezelfde week zijn we ook een aantal keren naar de kwalificaties voor de Australian Open wezen kijken. Met Steve Darcis, Yanina Wickmayer en Xavier Malisse deden daar toch een aantal Belgen aan mee. Bovendien zijn die kwalificaties gratis te volgen, dus was het voor Stijn de ideale manier om toch nog iets van het tennis mee te pikken. Darcis haalde het niet, Malisse en Wickmayer (foto links) wel. Malisse was trouwens een openbaring, een geweldig grappige kerel zonder dat hij het zo bedoelt, vermoed ik. Constant kwaad op Jan en Alleman. Hij slaagde er zelfs in om zich te ergeren aan de vogels die te hard floten naar zijn goesting. Dan stopte hij in het midden van zijn opslag en keek hij boos naar de vogels op de lichtmast. Malisse staat meestal zo moedeloos op een terrein dat je er als toeschouwer haast zelf depressief van wordt. In het Kortrijks mompelend bij elke misser. Af en toe wisten we iets van zijn opmerkingen op te vangen. “Wat wilt ge als ge twee weken gene zak hebt gedaan,” hoorden we bijvoorbeeld. Eerlijke jongen, die Malisse.

Kortom, de week vloog voorbij en voor we er beiden erg in hadden, was het voor Stijn tijd om het vliegtuig te nemen naar Nieuw-Zeeland. De dag dat hij vertrok, was lastig. Na een fantastische maand met Nico en Stijn was ik weer op mezelf aangewezen, besefte ik plots. Ik leerde uiteindelijk toch dat samen reizen leuker is dan alleen. Ook al haal je uit dat tweede ook veel levenservaring.

Nu goed, c’est la vie en have to move on. Uiteindelijk is het alleen–zijn in Melbourne veel makkelijker dan in Sydney, waar ik op Joëlle na niemand kende. Viavia had ik hier tenminste al wat contacten om te starten. Zoals Neve -een sympathieke Ierse die hier al een jaar woont en werkt- en Melissa en Ann -twee Belgische meisjes die al bijna een jaar aan het rondtrekken zijn in Australië-. Ik moet ook zeggen dat de mensen in Melbourne veel opener en vriendelijker overkomen dan in Sydney. Al ben ik er nog altijd niet uit welke stad mijn voorkeur heeft. Sydney is imposanter, groter, toeristischer en mooier. Melbourne heeft meer ziel, meer cultuur, meer Europese mentaliteit. Wat is dat, de ziel, krijg ik dan wel eens als terechte vraag. Wel, daarmee bedoel ik ondermeer dat je hier bijvoorbeeld veel meer echte Melbournians hebt wonen. Mensen die hier zijn opgegroeid en altijd gebleven zijn. Sydney is toch meer een mengelmoes van uitgeweken Australiërs, Aziaten, toeristen die blijven hangen zijn... Je voelt bovendien dat Melbourne meer begaan is met cultuur (theater, muziek, exhibities, fashion, architectuur) en een meer alternatieve scène biedt. Een stad waarin ik me makkelijk in kan onderdompelen dus.

De meeste tijd spendeer ik echter in de buurt van de tenniscourts op de Australian Open, waarvoor ik een perspasje heb. De eerste maal dat ik zo een Grand Slam van kortbij volg en liking every minute of it. Het is een cliché, maar het is helemaal anders om die wedstrijden live mee te maken. Nu pas zie je hoeveel zweet en energie er in die wedstrijden kruipt. Of hoe eenzaam het bestaan van een proftenniser kan zijn. Zo zag ik bijvoorbeeld Malisse om middernacht -buiten waren de lichten uit en de mensen naar huis- in zijn eentje naar de kleedkamer lopen nadat hij zopas uitgeschakeld werd in de tweede ronde. Of Yanina Wickmayer die tijdens een regenpauze met haar vader rust opzocht in de garages van de Rod Laver Arena. Een heel apart beeld, zo vader en dochter, weg van alle glamour en glitter, wachtend tussen de auto's om een kwartiertje later weer het veld op te stappen en er voor 4000 kijklustigen weer de status van tennisvedette op te nemen. Maria Sharapova, Ana Ivanovic, Kim Clijsters, Roger Federer, good old Jim Courier (nu actief als commentator) en Juan Martin Del Potro waren andere bekenden die ik hier tegen het lijf liep in de wandelgangen. Een hele verademing als je deze sfeer vergelijkt met het afgeschermde en overgewaardeerde voetbalwereldje. Heel de stad leeft momenteel op het ritme van de Australian Open. Tot ’s avonds laat blijven de mensen op straat of op de verschillende grasperkjes liggen om de wedstrijden te bekijken op één van de vele grote schermen die hier in het stadsbeeld prijken. (foto hiernaast genomen op Federation Square)

Zo, daar ga ik het voorlopig bij laten. Centre Court roept weeral, Serena Williams speelt binnen een half uurtje. Gotta run...


O ja, bijna nog het belangrijkste vergeten: vanaf volgende week zaterdag (30 januari) begin ik te werken. Als frambozenplukker! In Silvan Estate, een landgoed op een uurtje rijden van Melbourne, in the middle of nowhere. Inkopen kan je er maar één keer per week doen, als je samen met de andere arbeiders naar het dichtsbijzijnde stadje rijdt. Het is dus echt ‘op den buiten’. Niet dat het me afschrikt, integendeel, ik kijk er eerlijk gezegd naar uit om eens weg te zijn uit de stad en de handen uit de mouwen te kunnen steken. De accomodatie is er gratis, which is nice, en je wordt er betaald naargelang de hoeveelheid die je plukt. Afwachten dus wat dat geeft. Er is maar één ding waar ik enigszins mijn reserves bij heb: het gebied ligt aan de voet van de Black Snake Hills, ik hoop dat die naam niets te maken heeft met het beestenrijk aldaar... anderzijds, misschien zullen die frambozen dan héél rap geplukt worden.

Tot de volgende!


Uitspraak van de dag: "Ozie, Ozie, Ozie... Oi, Oi, Oi!" De leuze die Australiërs scanderen om hun landgenoten aan te moedigen. Iemand uit het publiek roept Ozie, Ozie, Ozie, en de rest van het publiek vult aan met Oi, Oi, Oi. Zeer aanstekelijk, moet ik toegeven.

2/1/10

Waar zijn die Seakings nou?

Happy New Year allemaal!

Hieronder zie je alvast hoe ze dat in Canberra vieren...met een streepje AC/DC zowaar. Qua cliché kan dat wel tellen.


Canberra, Koning van de middelmaat,
speeltuin van de Kamer en Senaat.
Geboren uit compromis, opgegroeid in isolement.
Tot wasdom gekomen als afstotend product van symmetrie en zielloos cement.

Enfin, deze kleine persoonlijke poëtische zijsprong om maar even weer te geven dat ons bezoekje aan Canberra geen plaatsje zal krijgen in de uiteindelijk lijst van topmomenten in Australië. Het moet zowat de saaiste hoofdstad zijn die ik al ooit bezocht heb. Enkel wat winkelcentra, parlementsgebouwen en brede boulevards. Rond Canberra : niemandsland. Je kan natuurlijk ook weinig anders verwachten van een hoofdstad die is ontstaan als compromis om een ruzie tussen Melbourne en Sydney te vermijden.

De herberg waar we verbleven had wel wat te bieden qua bezienwaardigheden, dag en nacht dwaalde er een hippie rond, volledig gehuld in roze en paarse fluwelen kleren. En een bandana, uiteraard. Op Oudejaarsavond bekeek hij een film uit de jaren '70. Volgens mij haat hij 2010. Verder ook nog een kale Aussie die ons de hele tijd zat te begluren. He scared the shit out of me, honestly. Ik zag voortdurend een scène uit The Shining voor me opdoemen, maar dat kan ook eerder liggen aan mijn iets te fantasierijke geest. Nieuwjaar was alles bij elkaar vrij rustig, wel vuurwerk gezien (zie filmpje boven) op de tonen van AC/DC, hetgeen de Aussie-vibes toch even deed trillen. Verder rustig wat pintjes gaan drinken en ons vergaapt aan de vreemde volkje dat in Canberra leeft. Rare jongens, die Canberen. Alsof de loden zon en het isolement hen in de marginaliteit drijft. In groot contrast met zakelijke sfeer die de stad eigenlijk uitademt. Soit, het heeft geen zin veel langer bij Canberra stil te blijven staan, ik blik liever terug op de week die daaraan vooraf ging.

Na de winetasting in Hunter Valley zijn we even richting Sydney teruggekeerd om er Kerst te vieren. Op het strand was het idee, maar we hadden een klein detail uit het oog verloren: de publieke barbecuestellen aan de verscheidene stranden van Sydney worden om 20u30 gedoofd (het zijn elektrische toestellen, die iedereen vrij mag gebruiken), ook op Kerstavond. Zijn dan maar Italiaans gaan eten. Nu, economisch als we leren denken hebben ondertussen, gooiden we de gekochtekotelletjes, worstjes en brochettes niet zomaar weg. Op Kerstdag hebben we onze bbq dan maar in onze hotelkamer op de achttiende verdieping van het Marriotthotel klaargemaakt. (foto, met Sydney op de achtergrond) Jawel, het Marriotthotel, backpacking in style noem ik dat. Stijn had via het weureld waait wep een promotie gevonden waardoor we twee nachten voor bijna geen geld in een suite voor drie personen konden slapen. Persoonlijke jacuzzi, keukentje en uitzicht op Sydney inbegrepen. ’t Werd dus niet de Kerst die we aanvankelijk in gedachten hadden, maar mijns inziens minstens even origineel en absurd.

Op 26 december met onze gigantische rugzakken elegant het Marriott buiten gewandeld en de auto ingestapt richting Blue Mountains. Een gebied dat zijn naam dankt aan de blauwe nevel die de vele eucalyptusbomen er verspreiden. Helaas pindakaas bleek de nevel in ons geval een uit de kluiten gewassen wolk te zijn, waardoor er in plaats een prachtig uitzicht enkel een immens wit gordijn voor onze neus hing aan het uitkijkpunt in Katoomba (hartje Blue Mountains). In plaats van topattractie de Three Sisters, een rotsformatie, in de verte te zien, zag ik enkel de drie gebruinde zonnekoningen lopen. Wij dus. Maar, niet te vellen positivo’s als we zijn, hebben we van de nood een deugd gemaakt. Regenjasjes gekocht en de volgende dag vol goede moed de Blue Mountains ingetrokken voor een wandeltocht die zeer de moeite bleek. Op en neer, langs de rotsen en over hangbruggen vochten we ons door het dichtbeboste woud. Enfin, zo schrijf ik het graag heroïsch neer, in werkelijkheid hebben we gewoon de groene en rode wandelpijltjes gevolgd langs het aangeduide wandelpad. All honesty aside kan ik u vertellen dat het een deugddoende wandeling werd. Zeker voor een stadsmens als mezelf was het verfrissend om nog eens tussen het ongerepte groen te lopen.

En daar stopte ons ecotoerisme niet. Ho neen, once you poked us, we never back off. Van Katoomba ging het richting Kangaroo Valley, ongeveer een 150 kilometer verderop, ten Zuiden van Sydney. Een tussenstop werd ingelast in Kiama, een kustdorpje dat bekend staat om zijn klein wonder van de natuur: the blowhole! Klonk veelbelovend en was het ook. Een mechanisme waarbij golven onderaan in een speciale rotsformatie beuken, zorgde ervoor dat om de zowat tien minuten een enorme hoeveelheid water de lucht werd ingespoten door een gat dat verderop in de stenen ontstaan is. Het heeft met druktoename te maken enzoverder, maar ik was vroeger altijd gebuisd op fysica, dus ik bespaar u verder de foute informatie die ik ongetwijfeld zou verspreiden. (sorry Meneer Brugmans) Wellicht zegt deze foto (links) meer dan mijn woorden.

Afijn, van daaruit dus naar Kangaroo Valley, een vallei, dat was wellicht al duidelijk, maar die hoegenaamd niets met kangaroes te maken heeft. Het is een soort Ardennen van Sydney eigenlijk. Een riviertje, veel groen en knusse huisjes. Terwijl Nico er mountainbikegewijs het stijgingspercentage van de hellingen ging opnemen, waren Stijn en ik druk bezig een nieuwe sportdiscipline aan het uitvinden: het compleet Mongolisch kanovaren. Met twee in een knalblauwe kano gesetteld, waren we nog geen honderd meter ver of we lagen bij de eerste miniwaterval met onze gebronzeerde atletenlijven in de Kangaroo River. Van Sint-Bernards of Seakings geen spoor te bekennen natuurlijk, we moesten onszelf redden. Even paniek dus. De kano was helemaal omgekanteld en vol water gelopen, hetgeen van dat ding, dat normaal gezien licht hoort te zijn, een zwaar en niet af te stoppen monster maakte. Terwijl Stijn zijn zonnebril probeerde te redden –jaja, ook kanovaren doen we in stijl-, kreeg ik af te rekenen met een dilemma zonder voorga: terwijl ik mij op de kano stortte om die niet kwijt te raken in de alsmaar sterker wordende stroom, zag ik mijn fliplops voorbij drijven. Het was kiezen: de kano of mijn flipflops. Het werd de kano en als bij wonder wist ik achteraf nog mijn Braziliaanse sleffers te recuperen, Stijn was zijn blitse Ray Ban helaas definitief kwijt. Die ligt nu ergens te blinken op de bodem van de Kangaroo River. Gelukkig hadden we de rest van onze spullen (zoals fototoestel) in een watervrij tonnetje bewaard. Van dan af werd het nadien nog een rustige tocht met prachtige zichten: leguanen die aan de oevers pootje baadden en exotische vogels die op drijvende boomstammen paradeerden. Het kanovaren bleek kinderspel. Ahum.


Na Kangaroo Valley trokken we richting Bateman’s Bay, de toeristische kuststad waar alle inwoners van Canberra hun holidays doorbrengen. En dat hebben we geweten: nergens een kamer te vinden! Dan maar verder landinwaarts gereden naar Braidwood, een soort Westerndorpje in the middle of nowhere, met houten barakken en al, waar we omstreeks 23u30 aankwamen. Net op het moment dat we er ons al bijna bij hadden neergelegd om een nachtje in de wagen te slapen. De dag erop even teruggereden naar Bateman’s Bay om nog een dagje aan het strand door te brengen -Surf Beach bleek de ideale locatie daarvoor- alvorens naar Canberra te reizen. En dát verhaal ken je ondertussen al.

Op dit moment verblijven we in Thredbo, een dorpje van 1000 inwoners dat ’s winters een populair skioord is en in de zomer een trekpleister voor wandelaars. Het ligt in het hartje van de Snowy Mountains, die zo noemen omdat –u gelooft het nooit- het er wel eens wil sneeuwen. Topattractie hier is Mount Kosciuszko, het hoogste punt van Australië, en daar wandelen we morgen naartoe. Het relaas daarvan lees je in de volgende blog. Hopelijk.




Groetjes from Up there, Down Under.


24/12/09

Doodsangsten in de jagersvallei



Kerstmis is in aantocht en het is er aan te merken... 35 graden, ja mijn kabas! Sinds enkele dagen zitten we in de Hunter Valley, de jagersvallei gelijk dat ze zeggen, de oudste en misschien wel bekendste wijnstreek in Australië. En we, dat zijn sinds een dikke week mezelf, Nico en Stijn. Een onwaarschijnlijk trio dat qua diversiteit de hutsepot van ons ma ver overtreft, maar daardoor net humorgewijs een enorm potentieel in zich draagt. In ieder geval, het deed deugd om nog eens zo voluit te kunnen lachen, plagen en grappen. Een maand alleen door de stad dolen maakt een mens weemoedig en stil. Heel stil. Ik was het niet meer gewoon veel te praten, in die mate zelfs dat ik na de eerste dag dat Nico neerstreek in Sydney met keelpijn opstond van te veel babbelen de vorige dag – en dat is echt geen grap. Een dag later arriveerde ook Stijn in Aussieland. Na een paar dagen in Sydney, dat moest, want ik zat nog vast aan mijn huurcontract in de Randwick Lodge tot 19 december , trokken we dan met onze gehuurde Mitsubishi Lancer richting Hunter Valley. Ik dacht aanvankelijk dat we een nog onbekend Australisch automerk ter beschikking kregen nadat ik op het huurcontract een ‘Mitsu’ zag staan, maar na interpellatie van Stijn werd het me duidelijk dat dat dus gewoon de afkorting van het bovenvermelde Japanse automerk is. Jammer, een Mitsu had ook leuk geweest.


In de laatste dagen te Sydney hebben we vooral wat nightlife verkend en buiten de eerder vernoemde zatte Britten die als loslopend wild in het grote stadspark genaamd Kings Cross rond zwierven, waren er best wel gezellige bars te ontdekken. Zoals Hugo’s, waar drie mannen normaal gezien nooit binnen geraken zonder dame in hun gezelschap. Mijn God, we hebben zelfs drie vrouwen rechtsomkeer zien maken. En toch binnengeraakt, jawel. Al was het maar omdat de drie Belgen voor de exotische flavour konden zorgen. Which we did in our very own style: uit de bol gaan op compleet foute discoclassics. Op zaterdag dan nog naar een optreden geweest in de stad, van Bayonets for legs, het groepje van Damien, de geluidstechnieker waar ik het in een eerdere blog al over had. De muziek was maar zo-zo, het decor boeide meer: een salon in ware Twin Peaks stijl, met rode gordijnen en stoffige canapés. I love it! O ja, nu ik over rode gordijnen bezig ben en voor ik het vergeet: de cinemazalen zijn hier top. Doorgaans kleine zaaltjes, waar de gordijntjes voor het scherm openvouwen wanneer de film start en waar de bezoekers gerust een flesje wijn mogen kraken (aan de bar krijg je zelfs glazen) of een eigen biertje mogen meebrengen. Zoveel gezelliger dan die kille megacomplexen in België. Laatst zag ik er nog de nieuwste film van Spike Jonze: Where the wild things are. Een fantastische, tedere, intelligente, grappige adaptatie van een kindersprookje. Op een prachtige soundtrack van Karen O van the Yeah Yeah Yeahs. Aanrader!






Op zondag dan voor vier dagen naar de Hunter Valley getrokken. Op het eerste zicht leek het ons misschien toch wat te lang, maar ik schrijf dit stukje nu op onze laatste avond hier in de YHA (jeugdherberg) van Hunter Valley en ik kan stellen: elke minuut van genoten. Het deed enorm deugd om eens uit de stad weg te zijn en gewoon al weggeblazen te worden door het gezoem van de krekels ’s nachts. Op weg naar daar in het Koala Sanctuary gepasseerd en er koala’s geaaid. Grappige jongens, die koala’s, hangen een ganse dag in een boom te slapen, zijn amper vier uur wakker per 24 uren en hebben als vacht een krultapijtje dat aanvoelt als een kroezelkopje dat al enkele weken niet meer gewassen is.
Maar goed, de Hunter Valley dus. De eerste dag meteen een wine tour geboekt die ons langs vier van de ongeveer zestig verschillende wijngaarden (vineyards) leidde. Kwestie van ons eens goed ‘ te smijten’ en niet zelf te moeten rijden ondertussen. Maar best ook, zo bleek: 38 verschillende wijnen geproefd op één dag! De bedoeling is dat je tussendoor wel een aantal weggiet of doorspoelt, maar daar doen we uiteraard niet aan mee. Elk ingeschonken glas zou tot de bodem in ons opengesperd keelgat verdwijnen. Lusten of niet lusten, zo zijn wij, eerbare Belgen, opgevoed. Shiraz, Cabernet Sauvignon, Chardonnay. Champagnes, dessertwijnen, muscat. Ze passeerden allemaal de revue. Eerst nog met groot onderling onderscheid, naarmate de smaakpapillen verdoofd geraakten, vielen de verschillen echter minder op. Had je ons een warme cola zonder prik gegeven hadden we het waarschijnlijk nog als een ongelooflijke straffe rode wijn met sterke afdronk beschreven.
In ieder geval zeer leerzaam die trip. Ondanks alle promillegrenzen die we overschreden, menen we ons toch nog het volgende te herinneren van het discours dat we te horen kregen van onze gids Nigel: “De eerste die met een wijngaard begon in de Hunter Valley was een Schot, eind negentiende eeuw. Die had weinig succes maar effende wel het pad voor Portugezen en vooral de Fransen, die hier hun druiven invoerden. Vandaar dat je in de Hunter valley vooral Franse wijnsoorten aantreft, zoals de Chardonnay, Shiraz en Cabernet Sauvignon.” Tip voor de wijnliefhebbers die in België eens willen uitpakken met een Australisch wijntje: de Hunter Valley staat vooral bekend voor zijn droge witte wijnen. Met 2004 en 2007 als absolute topjaren. ’s Avonds was er een barbecue voorzien in de herberg, op het menu stonden kangarooburgers. Van mijn hart een steen gemaakt en toch eens geproefd. Redelijk taai en droog, maar voorts weinig verschillend van een normale hamburger...voor diegenen die het willen weten.


De dag erna zijn we, samen met Diane en Linda – twee sympathieke Hollandse dames die al meer dan een jaar aan een wereldreis bezig zijn- naar Newcastle gereden, een trip die wat tegenviel. Newcastle bleek een doodse havenstad te zijn. Die misstap hebben we dan ’s avonds goed gemaakt met een totaal uitzinnig experiment: eigen pizza’s maken. Ik weet het...totaal onverantwoord, je moet het mij niet vertellen. Enfin, na een uur of vijf vuurtje stoken, tomaten snijden, chilli in de ogen uitwrijven (Nico slaagde met onderscheiding) en pizza’s draaien hadden we toch een stuk of zes eigenbereidde pizza’s achter de kiezen gestoken. Dit alles met een klaarheldere hemel boven onze koekenpan, een laptop vol muziek (Sigur Ros van Nico en Latijnse muziek uit Argentinië van Linda) op de achtergrond en begeleid door een aangenaam avondtemperatuurtje van om en bij de twintig graden. Dat ze van VT4 hier maar eens komen filmen voor één of ander kookprogramma.


Verder is Hunter Valley heerlijk rustig. Onze herberg ligt in het midden van niets en nog nooit voelde niets zo juist aan. Met ons drieën behuizen we een kamer voor vier, klein maar proper. Voor onze deur huppelen de konijnen vrolijk in het rond. Nu, het is niet allemaal idyllisch natuurlijk. De insecten verdringen elkaar om aandacht en proberen ieder een stukje mensenvel te bemachtigen. Maar ach, je neemt het er bij en na slechts een paar dagen geraak je er zelfs aan gewoon. Achteloos sla je dan een gigantische ik-weet-niet-wat van je arm. –terwijl je uiteraard vanbinnen kapot gaat van de schrik, maar dat mag en kan je niet laten merken, stoere man zijnde-


Ook wel een paar interessante menssoorten ontdekt in de Valley. Er lopen hier een aantal kamikazes, randdebielen en ronduit schrikbarende individuen rond. Zo is er Sideshow Bob (zo noem ik hem althans), ik schat hem ergens in de veertig, met een nektapijt waar zelfs Patrick Swayze in zijn betere haardagen stikjaloers op zou geweest zijn. Een man van weinig woorden, maar morbide lachsalvo’s. Hij dwaalt hier rond in deze houten barak, soms stopt hij even, staart je een paar minuten aan en begint dan hardop te lachen. Zomaar. Ik ben er nog altijd niet uit of ik het hilarisch of ronduit angstaanjagend moet vinden. Verder nog een Belg die hier een extreme makeover onderging: computerspecialist in België, GI Joe in Australië. Van de ene dag op de andere de schedel kaalgeschoren en ’s nachts op konijnen jagend met een biljartkeu of een zelfgefabriceerde val. Een paar nachten geleden werd hij nog kwaad op mij nadat ik om ongeveer drie uur ’s nachts mijn kamer uitkwam om naar het toilet te gaan en op die manier een konijn wegjoeg dat net z’n dood tegemoet huppelde. Even vreesde ik voor mijn eigen gehuppel, maar uiteindelijk ben ik toch redelijk veilig aan de wc geraakt. Fier dat ik alweer een konijn gered had.



Het is nu de laatste avond in Hunter Valley, morgen weer even naar Sydney, om daar Kerstmis te vieren met een barbecue op het strand. Stijn heeft zowaar twee goedkope nachten in het Marriott Hotel gevonden, ik sta nu al te popelen om de gezichten van de portiers te zien als we daar toekomen met onze rugzakken. (grijns) Ik hou jullie op de hoogte. Groeten van ons drieën!

Uitspraken in de categorie ‘anders bedoeld dan het eruit kwam’:

“Die beenhouwer zag er wel goed uit.” (Stijn)