6/4/10

Dancing in the moonlight


Bill Withers (Best of), Bruce Springsteen (The Essential), Madonna (Like a Virgin), The Rolling Stones en een compilatie van jazz/funkgoeroe Gilles Peterson. Dat zijn de vijf cd’s die de voorbije twee weken non-stop in de radio van onze Ford Transit staken. Vijf cd’tjes die ik nog snel-snel in een tweedehandszaak in Melbourne kocht alvorens de camper te gaan ophalen. Ze zijn van pas gekomen de voorbije weken, in die mate zelfs dat ze zachtjes aan de strot uitkomen en we ongeveer woord voor woord, en achterstevoren, kunnen meezingen met alle nummers op de albums. Het resultaat van eindeloze roadtrips door de Outback, een gebied dat zijn reputatie van apocalyptisch niemandsland helemaal waarmaakt. Een unieke belevenis, zo overweldigend dat de rest er bij verbleekt. Maar daarover later meer...

Eerst toch nog even terug naar twee weken geleden, het moment waarop we de Great Ocean Road verlieten en in Warrnambool wachtten op een nieuw stel remmen om daarna de Grampians in te duiken. De Grampians zijn een nationaal park met prachtige rotsformaties en spectaculaire verzichten. Amper een paar dagen na onze ontmoeting met de kangoeroes in Tower Hill kwamen we deze keer nog dichter bij deze Australische springende tweevoeters. Ze zaten doodgemoedereerd op een voetbalveld gras te plukken en leken zich weinig aan te trekken van onze aanwezigheid. Lieve beestjes, alleen jammer dat ze ondertussen geen voetbal speelden op het veld, dan had dit nog leuker geweest om te schrijven en foto’s te tonen.

Vanuit de Grampians ging het via Bordertown (home of the white kangaroo) de grens over naar South Australia en meer bepaald Adelaide, hoofdstad van deze provincie. Tot mijn verbazing -want weinig goeds over de stad gehoord- bleek Adelaide nog een aangename plek, voorzien van brede zandstranden, een proper wegennetwerk en tal van groene parkjes. Oké, niet de meest bruisende stad, maar een mens kan er comfortabel wonen. Bovendien is het klimaat er pakken beter dan in bijvoorbeeld het wisselvallige Melbourne. Je voelt er de Outback in de nek ademen, het droge gebied achter Adelaide blaast een constante warme lucht doorheen de stad. Na twee nachtjes Adelaide en evenveel stiekeme gratis douches in camperparks later dirigeerden we onze camper naar Jervis Bay, vanwaar we de ferry naar Kangaroo Island namen. Een dure onderneming (om en bij de 300 dollar voor de overzet) waar we in eerste instantie het gevoel bij hadden dat het weggesmeten geld was, want Kangaroo Island had weinig meer te bieden dan bijvoorbeeld Wilson Promontory, het schiereiland dat we helemaal aan het begin van onze reis bezochten en dat haast niets kostte. Naderhand bleek onze driedaagse trip op het eiland voor de kust van Adelaide toch zijn geld waard. Ten eerste was er de prachtige baai aan Flinders National Park, waar je massa’s zeehonden kon zien, dollend en ravottend met elkaar. Ook de Remarkable Rocks maakten hun naam waar. (foto) De laatste dag brachten we door op het landgoed van Bill Roper, een sympathieke Australische boer die al meer dan dertig jaar schapen hoedt op een stuk land van vier bij twee kilometer. Bill hadden we leren kennen op de ferry, waar hij Anneke aansprak op het feit dat ze te snel reed op een baan met wegenwerken, een vermaning die bizar genoeg leidde tot een hartelijke ontmoeting en zo belandden we dus op visite bij Bill. De avond dineerden we samen en de volgende ochtend zou hij ons zijn stiel leren. Nelly, een Border Collie die hoger springt dan Tia Hellebaut, ging op één simpel commando even twee schapen halen die twee kilometer verderop rustig hun brunch zaten te verorberen en dreef vervolgens een hele meute schapen in een loods. Voor de wollige stampers de Plek Des Onheils, dat viel van hun...euh, schaapachtige gezichten te lezen. Bill toonde ons hoe ze geschoren worden en wat er dan met de wol gebeurt. Voor iemand die doorgaans voetballers of muzikanten interviewt en vervolgens uren achter zijn laptop duikt best een boeiend spektakel om in real time te volgen. Het voelde aan één kant wel wat debiel om daar beiden met onze camera’s te staan filmen en foto’s trekken, maar ach... If you’re being a tourist, you’d better go all the way. Nadat we onze gapende monden weer dicht hadden geklapt, namen we afscheid. ‘Have a happy life’, zwaaide Bill ons uit. De mooiste afscheidswoorden die ik ooit al gehoord heb, en ze kwamen van een schapenboer op een eilandje van niet meer dan 1000 inwoners.

Van Kangaroo Island terug langs Adelaide richting Port Augusta, een weinig tot de verbeelding sprekend dorpje, maar de grote en onvermijdbare vertrekhal voor al wie van het zuiden naar het noorden van Australië wil geraken via de Stuart Highway, de enige autostrade die je door de dorre en gevaarlijke Outback voert. Onze eerste stop richting Outback was Port Wakefield, een dorpje van een vijftal straten met inwoners die nog onvriendelijker waren dan de veedrijvers aan den abattoire tegen Michel Vandenbosch. Volgens mij een gevolg van het voor de hand liggende survival of the fittest-principe. Enkel de ruwe bolsters die weinig sociaal contact zoeken blijven over in dergelijke afgelegen gehuchten. Al wie een beetje sociale interactie zoekt of graag onder de mensen komt, trekt er weg. Port Wakefield bleek een voorbode van wat de Outback te bieden heeft. Alle levende wezens die iets of wat genegenheid of naastenliefde nastreven, hebben hier niets te zoeken. Dit is een wijds en dor landschap. Dode beesten (meestal kangoeroes of runderen) en uitgebrande auto’s vormen een spoor des doods langs de Stuart Highway. Auto- of vrachtwagenbestuurders doen elkaar een amicaal gedagteken met de wijsvinger telkens ze elkaar kruisen, het wordt een automatisme omdat je na enige tijd rechte baan door kaal landschap al blij bent nog eens een levende ziel te zien. Slapen in de Outback doe je als camperkoppel doorgaans in één van de talrijke roadhouses langs de Stuart Highway. Dorpjes zijn er niet echt, dus de roadhouses zijn dikwijls de enige optie om te tanken of je camper veilig en gratis te parkeren voor de nacht. Na het vallen van de avond nog verder rijden doe je immers niet, het wordt je door alle locals afgeraden omwille van de wilde beesten die plots voor je koplampen kunnen opdoemen. Koeien, paarden, kangoeroes, dingoes of kamelen, om er een paar te noemen. Of je kan ook de kant ingecatapulteerd worden door een road train, trucks met drie, soms zelfs vier, aanhangwagens. Mastodonten van de weg, die ’s nachts heersen op de Stuart Highway.

Aan Spud’s Roadhouse, het eerste station waar we op onze tocht naar het Noorden de nacht doorbrachten, leerden we Nicolas kennen, een Chileense documentairemaker die nu in Australië op een boerderij werkt. Hij heeft documentaires over hanengevechten in Peru en over stierengevechten in Chili op zijn cv staan. Een interessante gesprekspartner die bijvoorbeeld wist te vertellen dat stieren bang zijn van geiten. Wanneer twee stieren met elkaar in de clinch gaan, sturen de Chilenen er een geit op af om ze uit elkaar te halen. Een fuckin’ geit dus! Vanaf nu niets dan respect voor die beesten.

Coober Pedy was onze eerste grote bezoekstop. Een plek waar de temperaturen soms zo extreem zijn dat de mensen er besloten om hun huizen onder de grond te bouwen. Sommige woonsten en kerken zijn echte juweeltjes qua kapkunst. Bovengronds geeft dat wel een eigenaardig zicht en heeft Coober Pedy veel weg van een spookstad uit de Far West. Films als Mad Max III, Pitch Black en The End of the World van Wim Wenders zijn hier opgenomen. Niet verwonderlijk waarom: het mijndorp, dat vooral bekend staat om zijn opalopdelvingen (opal is een soort edelsteen), is echt het hol van Pluto. En dat mag je gerust letterlijk nemen. Mensen wonen er in een hol, dat vertelde ik al. Wat die Pluto betreft: toen wij er halt hielden was het ’s nachts net volle maan, wat voor een heel vreemde ervaring zorgde. De maan gaf zodanig veel licht, en reflecteerde op de zanderige grond, dat je je eigen schaduw kon zien. Echt hallucinant helder. Miljoenen sterren zorgden voor de sfeerverlichting. Alsof je op een andere planeet wandelt. Een ander, minder tot de verbeelding aspect van Coober Pedy is z’n reputatie als onveilig gebied. Dat heeft vooral te maken met de vele Aboriginals die er rond zwerven en er een nationale sport van maken om zich heler dagen in de vernieling te zuipen.

De relatie van de blanke Australische burger met de Aboriginals is heel dubbel heb ik ondertussen geleerd. Aan de ene kant schamen ze zich wel om wat ze de oorspronkelijke, inheemse bevolking hebben aangedaan. De Britse ontdekkingsreizigers hebben circa 1830 simpelweg hun land ingepikt, zonder enige vorm van compensatie, en hebben de Aboriginals nadien langzamerhand ondergebracht in kleine communes en ze daar aan hun lot overgelaten. Waar ze nu dus nog altijd doelloos rond lummelen en massaal in de alcohol vliegen, een beetje vergelijkbaar met het lot van de Indianen in de VS. Aan de andere kant zijn de Australiërs behoorlijk racistisch tegenover de Aboriginals en beschouwen hen als een bende primitieve profiteurs, te lui om te werken. Het is een complex maar klassiek who’s to blame?-verhaal. Die schrijnende toestand kwam nog het meest tot uiting in Alice Springs, het hart van de Outback. De plakaatjes “Don’t feed the animals, we want to keep them wild” zou hier ook nog van toepassing kunnen zijn. Men adviseert je om hen zo veel mogelijk te negeren, want door het feit dat ze het gros van de tijd dronken zijn, kunnen ze soms best agressief uit de hoek komen. Een foto nemen wordt je bijvoorbeeld ten stelligste afgeraden, want de kans is groot dat ze je achteraf vijf dollar vragen. Geef je die niet, dan krijg je pas BIG troubles. De regering, gevoed door schuldgevoel, voorziet gratis medische hulp voor de Aboriginals in afgelegen gebieden. Zo getuigde ook Harry, een tandarts die we in Coober Pedy ontmoet hadden en die één week per maand naar de meest afgelegen plekken wordt overgevlogen om er Aboriginalpatiënten te behandelen. Op kosten van de staat. Een voorkeursbehandeling die veel Aussies de ogen uitsteekt.

Maar soit, de Aboriginals, één van de oudste beschavingen op aarde, hebben ook heel wat historie en cultuur aan te bieden. Zoals Uluru, de Aboriginalbenaming voor Ayers Rock, hét symbool van de Australische Outback. Een stuk steen van drie kilometer lang en één kilometer breed, dat temidden van het vlakke en droge landschap rond Alice Springs ineens uit de grond verrijst. Het is gesmolten magma dat miljoenen jaren geleden tot aan de oppervlakte werd geduwd en nadien door een spel van wind en water tot de majestueuze rotsblok werd gehouwen die het nu is. Een tocht van tien kilometer leidde ons helemaal rond Uluru en toonde ons eeuwenoude Aboriginal rotstekeningen. De ondraaglijke hitte en de onontkombare horde vliegen rond je gezicht (naar ’t schijnt komen ze je naar je ogen om er het vocht uit te zuigen) zorgden er echter voor dat we onze trip richting Noorden snel verder zetten en helaas Kings Canyon en The Olgas, twee andere bezienswaardigheden in de regio, aan ons lieten voorbij gaan. Op onze rit weg uit het gebied van Uluru nog even aan de kant gezet door plaatselijke politie die mij een alcoholtest lieten doen. Redelijk surrealistisch zo in het midden van de outback, met in een straal van tweehonderd kilometer geen dorp te bespeuren. Plichtsbewust, die Aussie cops, dat moet je hen nageven.

Via Alice Springs trokken we richting Darwin, in het tropische noorden van het land, om er het door iedereen aangeprezen Kakadu National Park (en het grootste beschermde natuurgebied in Australië) te verkennen.

En ondertussen uiteraard af en toe stoppen bij een roadhouse voor een ontmoeting met de locals. Want nog meer dan absoluut alle bezienswaardigheden te kunnen afhaspelen, is het dát waar het mij om te doen is. Zoals in Barrow Creek. Een roadhouse met honderden kilometers in de omtrek geen bal te zien. De avond dat wij er stopten, kregen we het gezelschap van een caravanpark van mijnwerkers, twee Australische meisjes op doorreis, en dan Pat en Bob, twee ondernemers die het land doorkruisen met hun grote truck om –zeer tegen hun zin, want ze zijn redelijk racistisch getint- satellietpalen voor de Aboriginalbevolking te installeren in de Outback. Meet Patrick, Pat voor de amigo’s, een kathedraal van een mens, 1m96 en 105 kilogram droog aan de haak. Vriendelijke mens, zolang hij niet teveel Coopers (bier) in zijn keelgat heeft gegoten. Dan wordt zijn wazige brein nog net iets waziger en krijg je conversaties als deze:

(letterlijke weergave van een gesprek tussen hem en een Australische)

Hij: ‘Ik begrijp niet waarom wij Goede Vrijdag moeten eren. Waarom wij Jezus, een mens die al zo lang dood is, moeten herinneren?’

Zij: ‘2010 jaar dood, om precies te zijn.’

Hij: ‘Wauw, da’s knap. Hoe weet jij dat? Ik zou zulke dingen totaal niet weten.’

Zij: ‘Toch wel. Iedereen weet toch dat hij 2010 jaar geleden gestorven is. Daarom zijn we nu 2010 na Christus, en alles ervoor is BC.’

Hij: (met stijgende verbazing) ‘Wauw! Zoals jij het uitlegt, klinkt het echt simpel.’

Enfin, lang zijn we dus niet meer blijven nakaarten met Pat en Bob en tegen 22u lagen we al onder de wol. Wat wel vaker het geval blijkt tijdens deze rondreis. Meer en meer leef je op het ritme van de zonsondergang en -opgang. Tegen 21u30 word je moe en ’s ochtends tegen een uur of acht ben je wakker. Ik weet, voor mensen die mij al van in België kennen, klinkt dat even geloofwaardig als Tom Boonen die belooft dat hij nooit meer coke zal snuiven.

De volgende dag, zondag 4 april, arriveerden we na een tussenstop in Mataranka voor een ochtendplons in een warmwaterbron, in Kakadu. Hetgeen op een serieuze ontgoocheling uitdraaide: zowat drievierde van alle bezienswaardigheden bleek dicht wegens overstromingen.

De paar dingen – Aboriginal sites en verzichten over de moerasvlakten- die we zagen waren nochtans veelbelovend. Afgezien daarvan mochten we ondervinden dat tropisch hier echt wel tropisch betekent. Dan spreken we van temperaturen rond de 35 – 40 graden en een vochtigheidsgraad waarbij je onderbroek al nat is nog voor je ze hebt aangetrokken. Dus na een stop van één dag in Kakadu NP verder naar Darwin, de stad die in 1974 volledig van de kaart geveegd werd door de cycloon Tracy, die daarmee een vlotte herhaling deed van wat de Jappen dertig jaar eerder hadden gedaan tijdens WO II.

Maar niet vooraleer even te stoppen bij Adelaide River, alwaar we de Jumping Crocodiles konden zien, zo was ons verteld. En ja hoor, salties – de afkorting voor zoutwaterkroko’s, de gevaarlijke soort- zwommen tot vlak aan ons bootje, gelokt door een grote homp vlees die daar hing te bungelen. Terwijl je foto’s probeert te nemen en toch niet te ver met je armen over de rand te hangen. Kwestie dat ze niet het verkeerde hompje vlees meegritsten. Een toeristisch intermezzo, toegegeven, maar zeer plezant om doen. Momenteel zitten we in Darwin, even bekomen van onze avonturen in de Outback en even verfrissen, dachten we. Maar zoals eerder gezegd zijn de temperaturen hier belachelijk hoog en is de vochtigheid ondraaglijk. Tegen de volgende blog zitten we meer dan waarschijnlijk aan de Great Barrier Reef, aan de East Coast van Australië.

Tot dan!

6 comments:

  1. Lijkt me een leuk avontuur ;-)

    ReplyDelete
  2. X :-)
    (En nu wordt het lang! Yep, 'mothers' is missing her son !).

    ReplyDelete
  3. Ik kan/wil me niet voorstellen nu in 35-40° te zitten, mijn (XXL) onderbroek is nu al nat van de inspanning om ze aan te doen (een dikke buik, je wil niet weten wat het allemaal met je lichaam en je brein doet!)

    ReplyDelete
  4. Matti, ik daag je bij deze al uit om de volgende keer dat we samen ergens Ain't No Sunshine horen het precieze aantal "I know I know I knows" mee te zingen. Should be fun! :-)

    ReplyDelete
  5. Good read matti. Al begin ik te twijfelen of dit geen andere mathias zijnen blog is want toen ge uit Belgenland vertrok waart ge toch niet de uchuaia-man die ik nu meen te herkennen.... Take care mate

    ReplyDelete
  6. @Kevin McM: I know !
    @Kevin B: man, ge zou mij moeten zien gaan. mocht ik nu op Chirokamp gaan, zou'k constant de kop pakken bij de ruwe spelen. ha!
    m.

    ReplyDelete