24/12/09

Doodsangsten in de jagersvallei



Kerstmis is in aantocht en het is er aan te merken... 35 graden, ja mijn kabas! Sinds enkele dagen zitten we in de Hunter Valley, de jagersvallei gelijk dat ze zeggen, de oudste en misschien wel bekendste wijnstreek in Australië. En we, dat zijn sinds een dikke week mezelf, Nico en Stijn. Een onwaarschijnlijk trio dat qua diversiteit de hutsepot van ons ma ver overtreft, maar daardoor net humorgewijs een enorm potentieel in zich draagt. In ieder geval, het deed deugd om nog eens zo voluit te kunnen lachen, plagen en grappen. Een maand alleen door de stad dolen maakt een mens weemoedig en stil. Heel stil. Ik was het niet meer gewoon veel te praten, in die mate zelfs dat ik na de eerste dag dat Nico neerstreek in Sydney met keelpijn opstond van te veel babbelen de vorige dag – en dat is echt geen grap. Een dag later arriveerde ook Stijn in Aussieland. Na een paar dagen in Sydney, dat moest, want ik zat nog vast aan mijn huurcontract in de Randwick Lodge tot 19 december , trokken we dan met onze gehuurde Mitsubishi Lancer richting Hunter Valley. Ik dacht aanvankelijk dat we een nog onbekend Australisch automerk ter beschikking kregen nadat ik op het huurcontract een ‘Mitsu’ zag staan, maar na interpellatie van Stijn werd het me duidelijk dat dat dus gewoon de afkorting van het bovenvermelde Japanse automerk is. Jammer, een Mitsu had ook leuk geweest.


In de laatste dagen te Sydney hebben we vooral wat nightlife verkend en buiten de eerder vernoemde zatte Britten die als loslopend wild in het grote stadspark genaamd Kings Cross rond zwierven, waren er best wel gezellige bars te ontdekken. Zoals Hugo’s, waar drie mannen normaal gezien nooit binnen geraken zonder dame in hun gezelschap. Mijn God, we hebben zelfs drie vrouwen rechtsomkeer zien maken. En toch binnengeraakt, jawel. Al was het maar omdat de drie Belgen voor de exotische flavour konden zorgen. Which we did in our very own style: uit de bol gaan op compleet foute discoclassics. Op zaterdag dan nog naar een optreden geweest in de stad, van Bayonets for legs, het groepje van Damien, de geluidstechnieker waar ik het in een eerdere blog al over had. De muziek was maar zo-zo, het decor boeide meer: een salon in ware Twin Peaks stijl, met rode gordijnen en stoffige canapés. I love it! O ja, nu ik over rode gordijnen bezig ben en voor ik het vergeet: de cinemazalen zijn hier top. Doorgaans kleine zaaltjes, waar de gordijntjes voor het scherm openvouwen wanneer de film start en waar de bezoekers gerust een flesje wijn mogen kraken (aan de bar krijg je zelfs glazen) of een eigen biertje mogen meebrengen. Zoveel gezelliger dan die kille megacomplexen in België. Laatst zag ik er nog de nieuwste film van Spike Jonze: Where the wild things are. Een fantastische, tedere, intelligente, grappige adaptatie van een kindersprookje. Op een prachtige soundtrack van Karen O van the Yeah Yeah Yeahs. Aanrader!






Op zondag dan voor vier dagen naar de Hunter Valley getrokken. Op het eerste zicht leek het ons misschien toch wat te lang, maar ik schrijf dit stukje nu op onze laatste avond hier in de YHA (jeugdherberg) van Hunter Valley en ik kan stellen: elke minuut van genoten. Het deed enorm deugd om eens uit de stad weg te zijn en gewoon al weggeblazen te worden door het gezoem van de krekels ’s nachts. Op weg naar daar in het Koala Sanctuary gepasseerd en er koala’s geaaid. Grappige jongens, die koala’s, hangen een ganse dag in een boom te slapen, zijn amper vier uur wakker per 24 uren en hebben als vacht een krultapijtje dat aanvoelt als een kroezelkopje dat al enkele weken niet meer gewassen is.
Maar goed, de Hunter Valley dus. De eerste dag meteen een wine tour geboekt die ons langs vier van de ongeveer zestig verschillende wijngaarden (vineyards) leidde. Kwestie van ons eens goed ‘ te smijten’ en niet zelf te moeten rijden ondertussen. Maar best ook, zo bleek: 38 verschillende wijnen geproefd op één dag! De bedoeling is dat je tussendoor wel een aantal weggiet of doorspoelt, maar daar doen we uiteraard niet aan mee. Elk ingeschonken glas zou tot de bodem in ons opengesperd keelgat verdwijnen. Lusten of niet lusten, zo zijn wij, eerbare Belgen, opgevoed. Shiraz, Cabernet Sauvignon, Chardonnay. Champagnes, dessertwijnen, muscat. Ze passeerden allemaal de revue. Eerst nog met groot onderling onderscheid, naarmate de smaakpapillen verdoofd geraakten, vielen de verschillen echter minder op. Had je ons een warme cola zonder prik gegeven hadden we het waarschijnlijk nog als een ongelooflijke straffe rode wijn met sterke afdronk beschreven.
In ieder geval zeer leerzaam die trip. Ondanks alle promillegrenzen die we overschreden, menen we ons toch nog het volgende te herinneren van het discours dat we te horen kregen van onze gids Nigel: “De eerste die met een wijngaard begon in de Hunter Valley was een Schot, eind negentiende eeuw. Die had weinig succes maar effende wel het pad voor Portugezen en vooral de Fransen, die hier hun druiven invoerden. Vandaar dat je in de Hunter valley vooral Franse wijnsoorten aantreft, zoals de Chardonnay, Shiraz en Cabernet Sauvignon.” Tip voor de wijnliefhebbers die in België eens willen uitpakken met een Australisch wijntje: de Hunter Valley staat vooral bekend voor zijn droge witte wijnen. Met 2004 en 2007 als absolute topjaren. ’s Avonds was er een barbecue voorzien in de herberg, op het menu stonden kangarooburgers. Van mijn hart een steen gemaakt en toch eens geproefd. Redelijk taai en droog, maar voorts weinig verschillend van een normale hamburger...voor diegenen die het willen weten.


De dag erna zijn we, samen met Diane en Linda – twee sympathieke Hollandse dames die al meer dan een jaar aan een wereldreis bezig zijn- naar Newcastle gereden, een trip die wat tegenviel. Newcastle bleek een doodse havenstad te zijn. Die misstap hebben we dan ’s avonds goed gemaakt met een totaal uitzinnig experiment: eigen pizza’s maken. Ik weet het...totaal onverantwoord, je moet het mij niet vertellen. Enfin, na een uur of vijf vuurtje stoken, tomaten snijden, chilli in de ogen uitwrijven (Nico slaagde met onderscheiding) en pizza’s draaien hadden we toch een stuk of zes eigenbereidde pizza’s achter de kiezen gestoken. Dit alles met een klaarheldere hemel boven onze koekenpan, een laptop vol muziek (Sigur Ros van Nico en Latijnse muziek uit Argentinië van Linda) op de achtergrond en begeleid door een aangenaam avondtemperatuurtje van om en bij de twintig graden. Dat ze van VT4 hier maar eens komen filmen voor één of ander kookprogramma.


Verder is Hunter Valley heerlijk rustig. Onze herberg ligt in het midden van niets en nog nooit voelde niets zo juist aan. Met ons drieën behuizen we een kamer voor vier, klein maar proper. Voor onze deur huppelen de konijnen vrolijk in het rond. Nu, het is niet allemaal idyllisch natuurlijk. De insecten verdringen elkaar om aandacht en proberen ieder een stukje mensenvel te bemachtigen. Maar ach, je neemt het er bij en na slechts een paar dagen geraak je er zelfs aan gewoon. Achteloos sla je dan een gigantische ik-weet-niet-wat van je arm. –terwijl je uiteraard vanbinnen kapot gaat van de schrik, maar dat mag en kan je niet laten merken, stoere man zijnde-


Ook wel een paar interessante menssoorten ontdekt in de Valley. Er lopen hier een aantal kamikazes, randdebielen en ronduit schrikbarende individuen rond. Zo is er Sideshow Bob (zo noem ik hem althans), ik schat hem ergens in de veertig, met een nektapijt waar zelfs Patrick Swayze in zijn betere haardagen stikjaloers op zou geweest zijn. Een man van weinig woorden, maar morbide lachsalvo’s. Hij dwaalt hier rond in deze houten barak, soms stopt hij even, staart je een paar minuten aan en begint dan hardop te lachen. Zomaar. Ik ben er nog altijd niet uit of ik het hilarisch of ronduit angstaanjagend moet vinden. Verder nog een Belg die hier een extreme makeover onderging: computerspecialist in België, GI Joe in Australië. Van de ene dag op de andere de schedel kaalgeschoren en ’s nachts op konijnen jagend met een biljartkeu of een zelfgefabriceerde val. Een paar nachten geleden werd hij nog kwaad op mij nadat ik om ongeveer drie uur ’s nachts mijn kamer uitkwam om naar het toilet te gaan en op die manier een konijn wegjoeg dat net z’n dood tegemoet huppelde. Even vreesde ik voor mijn eigen gehuppel, maar uiteindelijk ben ik toch redelijk veilig aan de wc geraakt. Fier dat ik alweer een konijn gered had.



Het is nu de laatste avond in Hunter Valley, morgen weer even naar Sydney, om daar Kerstmis te vieren met een barbecue op het strand. Stijn heeft zowaar twee goedkope nachten in het Marriott Hotel gevonden, ik sta nu al te popelen om de gezichten van de portiers te zien als we daar toekomen met onze rugzakken. (grijns) Ik hou jullie op de hoogte. Groeten van ons drieën!

Uitspraken in de categorie ‘anders bedoeld dan het eruit kwam’:

“Die beenhouwer zag er wel goed uit.” (Stijn)

10/12/09

Living the slow lane

“Do you use your boobs for good or for evil”, vraagt hij. “One for each”, antwoordt zij.

Het flyerwerk is beperkt gebleven tot één week, daarna was de opdracht afgelopen, mijn flyers waren allemaal uitgedeeld, en was het wachten op de volgende lading flyers. Die er niet kwam. Tja, blijkbaar nutteloos als flyerboy, il faut le faire. Tot ik de voorbije dinsdag de job van mijn leven leek gevonden te hebben: één avond werken en schatrijk worden. Klonk als een mooie deal. Ik deed mee aan de grote miljoenenpot van de OzLotto, de veertig miljoen dollar kon mij in feite niet meer ontsnappen. Helaas bleek mijn inzet van 4,5 dollar niet voldoende. Volgende keer misschien toch iets meer inzetten.


Aangezien volgende week Stijn en Nico mij komen vervoegen in Sydney, heb ik het vinden van een fatsoenlijk betaalde job al min of meer opgegeven. Op vrijdagavond na, dan draai ik een avondje mee in een comedyclub, de Star Bar (de vroegere Planet Hollywood). Kaartjes knippen, polsbandjes omdoen en plaatsen aanwijzen, dat lijkt me toch doenbaar. Ondertussen probeer ik hier te genieten van mijn nieuw verworven vrijheid en doe ik de dingen waarvoor ik in België nooit de tijd nam. Ik lees veel, ga zwemmen (foto rechts), kijk ad random naar wat films op tv, loop per ongeluk vedetten op de rode loper tegen het lijf (foto links, Susan Sarandon), maak wandelingetjes langs de kust, lurk uren aan dat ene kopje koffie. Het is vreemd eigenlijk hoe je in een veranderde context het verstrijken van de minuten helemaal anders benadert. Terwijl ik in België altijd wel ergens net te laat toekwam –een combinatie van slecht timemanagement en teveel in één dag willen doen-, ben ik hier altijd minstens een half uur te vroeg op een afspraak. Ik stap trager, ik zet mij tijdens een wandelingetje zonder aanleiding neer en bekijk de mensen, ik geniet van het zonnetje dat ik op mijn armen voel tintelen. In alles wat ik doe, neem ik mijn tijd, zonder enige overhaasting. Zelfs de suiker in mijn koffie doen, duurt hier minstens tien tellen langer. Het is een openbaring!



En denken doe ik ook een beetje veel...al is dat niet altijd een openbaring. Onlangs, terwijl ik er weer een uur over deed om een afstand van honderd meter af te leggen naar de kruidenierszaak en ik ondertussen merkte hoe een slak mij voorbijstak en de middenvinger gaf, besefte ik ineens dat ik exact tien jaar geleden min of meer hetzelfde meemaakte toen ik drie maanden in Californië leefde. Toen ook op een kruispunt in mijn leven: twintig jaar, net afgestudeerd en benieuwd naar de wereld van de volwassenen.


Best wel grappig dat ik weer op zo’n kruispunt sta, bedacht ik. Ook qua omgeving zijn er een hoop parallellen. De zon zorgt voor een vertraagd ritme en de nabijheid van de zee verschaft een gevoel van onbezorgdheid. Alsof er daar verderop steeds iets nieuws ligt te wachten en de golven elke keer opnieuw verschoning brengen.


Ik ben nu ongeveer een maand in Sydney en het is me meer en meer gaan opvallen welke kracht de natuur hier uitoefent. En dan te bedenken dat ik niet eens in het ruwere binnenland zit. Maar zelfs in een metropool als Sydney voel je de kracht van de natuur, je bent je constant bewust van het feit dat je op een stukje land in een reusachtige oceaan staat. Soms begint het zomaar stormen. Blikseminslagen zijn helemaal anders dan in België, dichterbij en gevaarlijker, moeilijk uit te leggen, maar je voelt dat gewoon. De hemel kan hier soms oranje kleuren, zoals een dikke week geleden. Dan sta je op, kijk je naar buiten en zie je daar een oranje gordijn boven je hoofd hangen: stof uit de Outback, hoorde ik achteraf op het nieuws.

En dan de dieren... Vleermuizen, kaketoes, papegaaien, reusachtige pikzwarte raven, ibissen, ze vliegen allemaal onachtzaam door elkaar. Soms tot op centimeters van jou vandaan. Meeuwen komen op het strand zelfs tot op je handdoek waggelen. Kakkerlakken van tien centimeter kunnen plots je kamer inzwermen. Wanneer je rustig op een bankje zit te lezen, komt er een groengeschubde vriend naast je liggen (foto onder). Schorpioenen kruipen tussen de rotsen. Walvissen spuiten hun longen leeg en maken salto’s voor de kust. En zoals ik zei: dan ben ik nog niet eens de stad uitgeweest. Het maakt mij alleen maar nieuwsgieriger naar wat daar buiten de veilige muren van Sydney allemaal ligt. Dat ben ik van plan vanaf volgende week te verkennen. Een maandje stad is genoeg geweest. Uiteindelijk lijken alle steden op elkaar: reclamepanelen zijn van JC Decaux, het geluid van wegenwerken, bussen en klaxons klinkt overal even irritant, hippe wijken wisselen probleemwijken af.



Bon, dan is het nu tijd om ons aan flink potje veralgemening te wagen. My favourite!

De Aussiecultuur houdt het midden tussen de Britse en de Amerikaanse. Geschiedkundig gezien Brits (cricket, links rijden, vroege sluitingsuren), maar weerkundig gezien eerder West Coast USA (casual en sportieve kleding, zowat de halve bevolking draagt flipflops, eenzelfde laidback mentaliteit). De meisjes zijn onmiskenbaar Brits, zeker in hun kleding, overdreven make up en weinig elegante tattoo’s. Soutiens die alle moeite van de wereld hebben om hun waren in de winkel te houden en minirokjes die een andere dimensie aan het woord mini geven. Een jurk tot aan de knie wordt hier als een burka beschouwd. Nu, een gezonde man klaagt daar niet over, maar als die vrouwen al rond een uur of negen ’s avonds schijtezat over straat rollen of er om de twee woorden een platte ‘fuckin’ tussen knallen, vergaat die sensualiteit vrij snel. Very British indeed. Net als de mannen. Op zich nog wel sympathieke lads, waar je best een aangenaam praatje mee kan maken, maar probeer over mentaliteitskwesties of diepere cultuurverschillen te praten en ze staren je aan als een stel koeien die een trein zien passeren. Na enkele pijnlijk stille seconden komen ze dan op de proppen met een 'Euh, yeah... mate’. Neeneen, dan houden ze zich veel liever bezig met hobby nummer één: binge drinking!

Laat het ons zo zeggen, tot ongeveer 18u zijn de Aussies aangename mensen. Vanaf 18u trekken ze richting bar om zich zo snel mogelijk lam te zuipen. Enkele attributen die dit ritueel bevorderen: minimum pinten ter grootte van een bokaal, happy hours van 17u tot 20u, kwestie van al vroeg op de avond in de sfeer te komen. De deadline ligt ook erg scherp, ze moeten dus wel opschieten. Om middernacht wordt er gevraagd naar huis te gaan. Het vreemde daarbij is dat de bussen maar tot 1u rijden en de taxi’s weigeren meestal om zatte mensen mee te nemen. Gevolg: na middernacht liggen sommige uitgaansbuurten bezaaid met totaal in de vernieling gezopen guys and dolls (de borsten hebben tegen dan alle hoop op zelfrespect opgegeven) die niet meer naar huis geraken. En dan zijn de autoriteiten verwonderd dat er zoveel knokpartijen ontstaan. De kranten staan vol met zulke verhalen. Elke avond zijn er opstootjes en bijna altijd hebben ze te maken met overdadig alcoholgebruik.

Alcoholisme is in Australië echt wel een probleem, heb ik al mogen merken. Net als gokverslaving. Aussies zijn gek van gokspelletjes. Op elke hoek van de straat tref je een TAB aan -kantoortjes volgestouwd met tv’s waar je dan live kan inzetten op sportevenementen. Paardenraces bij voorkeur. Dus plaats die twee dingen bij elkaar, alcohol en gokken, en dan weet je dat je met een knoert van een sociaalmaatschappelijk thema zit. Eentje dat dan nog zelf in de hand werkt. Maar goed, verdere ontleding laat ik aan de experten, ik ben er trouwens redelijk van overtuigd dat er een voor de Australische economie bloeiende business achter schuilt. (een pint kost al gauw 6 of 7 dollar, hetzij vier euro) Ik ga het hier echter bij laten, ik moet immers nog tot het zwembad geraken, voor mijn tweedaaglijkse reeks baantjes trekken. En vooraleer ik daar aan mijn nieuw zelfaangeleerde tempo geraak, is het alweer valavond...

En btw: de conversatie bovenaan deze blogpost is mijn recentste nominatie voor de uitspraak van de week, gehoord in een Australische comedysoap. In case you're wondering.

Tenslotte wilde ik onderstaande foto en filmpje niet onthouden.
Foto van een winkel voor kaders en fotohouders, met ongeveer de grappigste publiciteitslogan die ik ooit zag op een winkelraam.
Het filmpje is van enkele dagen geleden in Sydney Harbour, waar een getalenteerde knaap enkele coole flamencodeuntjes uit zijn gitaar toverde. Heerlijk om naar te luisteren.


























29/11/09

BBQ, jazz and cockroaches


Het wonder is geschied, het wonder is geschied... Jawel, we hebben een job! Maar wellicht niet voor lang. Sinds vorige vrijdag ben ik officieel aangesteld als flyer distributor, het is te zeggen: ik steek promoblaadjes in de postbussen. Ik vermoed dat ik daarmee zo ongeveer de meest onderbetaalde job aller tijden heb binnengehaald: 25 dollar per duizend blaadjes die ik verdeel. En ja, ze controleren dat. Elke avond moet ik na mijn ronde een mail sturen naar de ‘chief’ met daarin een opsomming van de straten die ik afgestapt heb. Mijn gebied is dat van Maroubra Beach, aan de kust dus, wat op zich wel leuk kan zijn, maar bij een loden zon en een temperatuur van dertig graden kan ik u vertellen dat het plezier van in open lucht te werken er snel van af is. Om u een idee te geven: voor elke duizend flyers moet je rekenen op ongeveer drie uur rondwandelen. Een kleine rekensom leert ons dus dat ik niet eens tien dollar per uur verdien. Hetzij 6 euro. Dan kan ik eigenlijk nog beter een klak voor mijn voeten leggen en op straat gaan zitten. Tiens, nu ik daar zo over denk, misschien moet ik maar eens checken of ik daar óók een cursus voor moet volgen... Kortom, ik heb mijn werkgever al meteen laten weten dat ik aan dat tarief onmogelijk op een fatsoenlijke en eerlijke manier verder kan blijven werken. Hij beloofde het bedrag te verhogen naar 35 dollar zodra mijn eerste ‘karton’ verdeeld is. Goed, zolang ik geen ander werk vind, blijf ik dit maar doen, op die manier heb ik toch iets van inkomen. Overigens was die werkgever, Andre Nader luidt zijn naam, redelijk vlot in zijn wervingstechniek. Op vijf minuten had ik papieren getekend en stond ik met 4000 flyers in mijn handen op straat. Zijn uitleg: “I’m not going to explain you how to work, it’s not rocketscience, right?!” Right. Ik schrijf het in mijn notitieboekje op als nominatie voor uitspraak van de dag.

Tot zover het werkgedeelte, now the fun part. Vorige maandag werd onverwacht een topavond. Ik was namelijk op weg naar een gratis singersongwriteravond in één of andere pub toen ik op straat de weg vroeg aan een hippe Aussie. Hij wist die pub niet zijn, maar nadat hij mij op weinig subtiele wijze had zitten monsteren, stelde hij me voor hem te volgen. Hij was immers op weg naar een jazzoptreden in een ‘old warehouse’. Een vriend van hem heeft daar een loft en gebruikt die twee avonden per week (maandag en woensdag) als concertzaaltje voor jazzensembles en big bands die hij zelf zoekt. Ik moet eerlijk toegeven dat ik eerst nogal sceptisch stond tegenover zijn aanbod. Ik had hier duidelijk met een gayfriend van het zuiverste soort te maken en de zin ontbrak mij enigzins om mij gewillig in een übergayfest te storten, waar mijn beige geklede bermudabroek toch maar zou afsteken tegen de glimmende lederhosen en spannende skinnypants. Anderzijds: dit was wel mijn kans om een uniek plekje en boeiende mensen te ontdekken. Charlie, want zo heette hij, mocht dan wel homo zijn, hij zag er wel onmetelijk cool uit. Ik mocht trouwens Charles zeggen. Terwijl we samen naar de loft wandelden, kwam ik te weten dat hij creative writing studeert en in de theaterwereld actief is. Komend jaar trekt hij voor zes maanden op stage naar Sevilla. Kortom: een interessante mens, onze Charles. Ingaan op zijn aanbod bleek nadien de beste zet die ik had kunnen verzinnen. We stapten een kleine deur door en stonden plots in een reusachtig gebouw. Een labyrint van gangen vol graffiti, bloedsporen op de trappen en betonnen constructies. Denk aan een verlaten parking. Het kraakpand ademde punk uit en werd bewoond door een heleboel artiesten die er vanalles... euh... artistieks mee deden.


Op de vijfde verdieping (mijn tong moest ik onderweg een tiental keren weer over mijn schouder zwieren) bevond zich de loft. Een vijftigtal mensen zaten er op de grond, de inkom bedroeg tien dollar en drank moest je zelf meenemen. Het wemelde er van de cultural folks en neen, op Charles en zijn vriend Jonathan na, vielen er nauwelijks homo’s te bespeuren. Ik leerde een aantal leuke mensen kennen en het concert van de Buttercups, of zoiets, was fenomenaal goed. Jazz gemixt met country, blues en een vleugje humor. Tegen 23u30 moest de loft ontruimd worden (een afspraak met de buren) en tegen 1u was ik weer in mijn huisje. Moe, maar uiterst voldaan. Helaas geen foto’s, ik had mijn fototoestel niet mee. Jammer.


Het leven in de Randwick Lodge (foto) bevalt me ook veel meer dan het leven in de hostels. Ik heb mijn eigen ruimte en toch is er een vriendelijk, zij het niet obligaat, contact met de rest van inwoners van de Lodge. Zoals daar zijn: Dean en Aveen, een Iers koppel, die ik werkelijk voor geen letter versta. Maar soit, ik knik altijd begrijpend en vul hier en daar aan met ‘O really?’ en ‘Ah, okay’. Verder nog wat Britten, een paar oudere knakkers die je af en toe als schildpadden in de zon ziet voorbijkruipen in de gang. En Pete (foto), de Australische beer. Die toch wat ontgoocheld lijkt in het vrouwelijke ras na zijn recente breuk met zijn vriendin. “Women are like busses, when you miss one, you just take the next one,” luidt zijn devies tegenwoordig. Ik antwoord dan met ‘O really’ of ‘Ah, okay’.


Wat hebben we voor de rest deze week nog zoal gedaan? Een Australische bankrekening geopend (nodig om hier te kunnen werken), eens op het strand gelegen (mijn eerste keer hier), een zwemabonnement aangeschaft in het sportcomplex van de Universiteit hier vlakbij, naar een verjaardagsdrink geweest en gisteren zoals de echte locals gebarbecued op het strand van Manly. Shelly beach om precies te zijn. Een unieke plek, een verscholen baai tussen het groen, waar de Aussies een hele namiddag en avond komen eten en drinken. Joëlle had me uitgenodigd om samen met een aantal Amerikanen Thanksgiving te vieren op het strand. And so I did. (zie foto hiernaast, plus filmpje hieronder)






Tot slot heb ik ook al met mondjesmaat kunnen proeven van het uitgebreide dierenrijk dat in Australië huist. Slangen zijn mij tot nu toe bespaard gebleven, de enige slang die ik zag, was diegene die je hiernaast op de foto ziet. Wel al de revue gepasseerd: een schorpioen, terwijl ik op mijn flipflops passeerde, dus maakte ik toch maar een boogje. Een hagedis. En kakkerlakken ter grootte van mijn middenvinger. I kid you not! De merde met die beesten is dat je ze niet mag doden, want ten eerste spat daar dan een misselijkmakende pulp uit hun lijf en daar komen dan weer bevriende kakkerlakken op af. Dus, niet doen! Alternatieven zijn: insectenspray gebruiken, met papier vangen en buiten gooien, of –zoals een Duits meisje me gisteren haar trukje verklapte- de stofzuiger zijn werk laten doen. Oké, genoteerd.



Enfin, dan ga ik deze post voor bekeken houden, want ik zo meteen vertrek ik naar het stadion van FC Sydney om er de voetbaltopper tussen FC Sydney (de Sky Blues) en Newcastle Jets te scouten.


Groeten en tot de volgende!


O ja, het moment van de dag/week was dus zonder enige twijfel het jazzoptreden op maandagavond. Geen verdere uitleg, die las je hierboven al.