
Yep, na vier maanden is het zover: Australië begint z’n tentakels in mijn brein te nestelen. Zo betrap ik mijzelf erop dat wanneer ik mijmerend over straat slof, Engels mijn denktaal is geworden. Of zoals vorige week toen ik tijdens het bekijken van een Amerikaanse film plots dacht: ‘Tiens, die auto’s rijden aan de verkeerde kant...’ Moet ik mij nu zorgen beginnen maken?
Ik merk ook dat mijn mentaliteit stilaan aan verandering onderhevig is. Vier maanden alleen rondreizen doet iets met een mens. Oorspronkelijk volgde hier nu een hele paragraaf met introspectieve reflectie, maar bij nalezing vond ik het toch net iets te veel “Liefste dagboek”-gehalte hebben, dus heb ik het bij een beknopte versie van mijn bevindingen gehouden. En die zijn: ontdaan van alle materiële balast (geen wagen, tv of overvolle kleerkast) en verplichtingen van allerlei soort (lopende rekeningen, werk,...) leer je de dag anders benaderen. Zeer verfrissend, moet ik zeggen. Je leert de dag te nemen zoals hij komt, je te laten leiden door het toeval en niet langer energie te verspillen aan negatieve zaken. Eén van die voornaamste boosdoeners in onze maatschappij is bijvoorbeeld de én-cultuur, zoals ik het graag noem. We willen alles en altijd maar meer. Aan dat én-tijdperk probeer ik nu voor mezelf een einde te stellen. Door te kiezen en te downsizen wordt een mens veel gelukkiger. Door simpelweg te aanvaarden dat je niet alles kan hebben, maar dat je ongelooflijk tevreden moet zijn met wat je hebt. Dat er altijd mensen zijn die meer zullen hebben dan jij, maar evenzeer mensen die minder hebben dan jij. Live the moment, weet je wel. Ik dacht dat ik dat al deed in mijn Belgische leventje, maar ik begrijp nu dat ik mezelf voor de gek hield.
I know, klinkt alsof ik de laatste dagen te veel blootgesteld ben aan New Age bullshit of dat ik met een serieuze zonneslag opgescheept zit. En neen, ik ben ook geen weekendje gaan picknicken met de Dalai Lama ofzo... Het is wel een gevolg van rondreizen, boeiende mensen ontmoeten, op jezelf aangewezen zijn. Ik vermoed dat het ook te maken heeft met het feit dat ik van de voorbije vier weken er drie in de natuur heb gespendeerd. De woofing in Emerald, de tomatenpluk in Shepparton en vorige week in Tasmanië. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk beslist heb om naar Tasmanië te gaan. The island’s island. Eerst drie dagen met een tourorganisatie en dan het weekend bij vrienden van Neve die daar in een klein dorpje wonen.
En dan nu opgepast: educatief gevaar! Een klein intermezzo met wat historische achtergrond, niet van wikipedia geplukt, maar uit eerste hand gehoord van de plaatselijke bevolking. Tasmanië heette oorspronkelijk Van Diemen’s Land, ontdekt door Nederlandse reislieden. Maar lang bleven die niet, afgeschrikt door de vreemde geluiden die uit het bos kwamen (de schrikbarende kreten van de Tasmaanse duivel) en de rookpluimen in de verte (communicerende aboriginals) dachten de Ollanders dat het eiland bezet was door reuzen en duivels.
Dus besloten ze er een verbanningsoord voor gevangenen van te maken. Zo werd Van Diemen’s Land een plek waar al het gespuis van Europa verzameld werd. Ieren, Schotten, Nederlanders, Joegoslaven… Na enkele decennia wilden de Britten die zich ondertussen gevestigd hadden in Van Diemen van hun kwalijke imago af, de eerste stap in dat proces was een naamswijziging. Van Diemen’s Land werd Tasmania, genoemd naar Abel Tasman, de ontdekker van het eiland. Hoe dan ook –kwestie van de les kort en sober te houden- heeft Tassie heel wat te bieden. Op het eerste zicht een beetje Brits, met veel weides, boerderijen en koeien op het heuvelachtige landschap neergepoot. Dat wordt gecombineerd met prachtige witte stranden, groene baaien, rotsformaties en regenwouden. De Tasmaanse bevolking verschilt ook van de Australische : ze zijn minder robuust, nóg rustiger en gastvrijer.
Ik had geluk met de groep waarmee ik mijn driedaagse tour ondernam. Een kleine en zeer heterogene bende, bestaande uit drie Duitsers, een Bosnische, een New Yorker, een Canadees, een koppel Chinezen en een authentiek Tasmaanse gids.
Zonder te forceren raakte iedereen met iedereen bevriend. Een wonderlijk proces om gade te slaan. De eerste avond overnachtte ik nog alleen in een hostel te Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Daar deelde ik de kamer met een 61-jarige Engelsman, een ex-leraar literatuur. Hij had de deuren van het klaslokaal noodgewongen achter zich dichtgetrokken omwille van een manklopend gehoor. Hij was voor 80 procent doof, maar via een ingebouwd hoorsysteem in zijn leesbril kon hij nu toch vlot communiceren. Een knap staaltje van techniek, one must say. Hij heeft me de hele avond onderhouden met een exposé over gehoorsystemen en architectuur. Twee uiteenlopende onderwerpen, ik weet het, maar de brave man slaagde er toch in die twee in elkaar te verweven. Waarna hij met een waarlijk imposante scheet –waarschijnlijk had hij die zelf niet gehoord, want ondertussen lag zijn (hoor)bril naast hem op het nachtkastje, ofwel is de man zeer rap op zijn gemak bij nieuwe vrienden, dat kan ook- onder de lakens kroop en knorrend in slaap viel.
Het summum van de driedaagse rondreis was een bezoekje aan Wineglass Bay. Een afgelegen baai die je enkel bereikt met wat klim- en afdaalwerk door ruwe bebossing. Het was omstreeks 5pm toen we met de hele bende voet zetten op het witte zand. Wallabies –de kleine broertjes van de kangoeroe- bleven ongestoord verder huppelen op het strand terwijl ik een duik nam in het glasheldere, groene zeetje. Een onvergetelijk moment in een onvergetelijke omgeving.

aangespoelde zeeleeuw en wallabie op Wineglass BayVrijdagavond verliet ik de groep. Jaja, bleiten dat die deden, jongens toch! Maar veel tijd voor gesnotter was er niet, op zaterdag arriveerde Neve in Launceston,
het stadje (nu ja, met 90000 inwoners de tweede grootste stad van Tasmanië). Daar zouden John en Dee, vrienden van Neve, ons komen ophalen om het weekend bij hen te logeren. Met wat oversimplificatie zou je John en Dee twee vijftigjarige hippies kunnen noemen, al vind ik dat tekort doen aan wie ze zijn. Hun huisje ligt in Lilydale, een boerendorpje van duizend inwoners, waar ze de leefruimte delen met de hond Jessie en de kat Smoosh. Hun hele leven staat in het teken van de natuur en harmonie met de omgeving. Alle producten en voeding die ze gebruiken, zijn organisch en biologisch verantwoord. Komen ofwel uit de eigen moestuin ofwel van één van de boerderijen of winkels uit het dorp. John geeft les aan mindervaliden en geestelijk gehandicapten. Dee is huisvrouw en dorpsactiviste. Wat die functie inhoudt, kan ik best illustreren met een concreet voorbeeld.
Toen Neve en ik daar verbleven, was ze volop bezig met de voorbereiding van een dorpsbijeenkomst om te protesteren tegen de teloorgang van het bosrijke gebied in Lilydale. Een zakenman heeft er een grote lap grond gekocht om daar nieuw bos aan te leggen. Goed, zou je denken, maar niets is minder waar. Door die kunstmatige plantage, mét gebruik van chemicaliën, zou het grondwater aangetast worden waardoor de helft van de plaatselijke bevolking zonder natuurlijk bronwater zou vallen en verplicht wordt naar de supermarkt te hollen. Blijkbaar is er geen enkele legale manier om die man te stoppen en die rel heeft het dorp in twee groepen verdeeld: de behoudsgezinden, die Lilydale willen houden zoals het was, met andere woorden zelfbedruipend en onafhankelijk. Aan de andere kant de opportunisten die met de komst van zakenmensen in hun gebied de dollars zien blinken. Zo is er een familie die een voedingszaak bezit en die de komst van de zakenman goed vindt, omdat ze op die manier hopen een nieuw cliënteel aan te boren wanneer alle werknemers van de plantages komen lunchen. Als protest voor zoveel opportunisme heeft een deel van de bevolking in Lilydale beslist niet langer inkopen te doen bij dat gezin. Het klinkt als het scenario van één of andere slechte Western film, maar het is echt. Het beste bewijs dat ook een dorpje van amper duizend inwoners zijn besognes en conflicten kent.
Maar om terug te komen op John en Dee, twee intrigerende figuren. Dee leeft bijvoorbeeld al twintig
jaar zonder televisie. “En ik zou geen uur van mijn leven willen inruilen om een uur televisie te kunnen kijken”, gaf ze nog mee. Veel geld hebben ze niet, maar dat hoeft ook niet, het meeste voedsel maken ze zelf of krijgen ze van vrienden uit het dorp. Ik ben er drie dagen gebleven en heb er geen frank mogen betalen. De meeste tijd spendeerden we aan tafel. Met vegetarische schotels voor de neus, streekwijn in de glazen en interessante discussies om de uren te vullen.
Dan mag iedereen die uitgenodigd is op het podium kruipen en ‘zijn ding doen’. Talent of geen talent, allen welkom. Topper van de avond was Gary, een oudere man die in de bibliotheek van Lilydale werkt. Hij nam de gitaar ter hand, plofte op z’n barkruk en begon te zingen. Fe-no-me-naal! Ik werd er helemaal stil van. De duisternis was ondertussen gevallen, de maan deed z’n lichtgevende werk en Gary zong alsof hij de nacht bezat. Een magisch moment. Nog één.Op zondag werd ik dan door John uitgenodigd om mee te rijden naar een cricketwedstrijd. Zijn team speelde op verplaatsing. Hij had z’n teammaats gewaarschuwd dat er een internationale sportjournalist aanwezig zou zijn. Ik werd er ingewijd in de wondere wereld van cricket, maar toegegeven, na een halfuurtje vond ik de optie om een siësta in te lassen aanlokkelijker dan de optie om de voortkabbelende wedstrijd verder te volgen. Veel heb ik dus niet meer gezien van de wedstrijd (die soms een hele dag kan duren), maar ik maakte me er achteraf vanaf met de smoes dat ik enkel sport volg, geen cricket. Gelukkig werd mijn vorm van humor gewaardeerd, want zo’n cricketbat kan redelijk hard aankomen, me dunkt.
Op maandag dan teruggevlogen naar Melbourne, de stad die bijna mijn tweede thuis geworden is. Elke keer ik ergens vandaan kom, keer ik terug naar Melbourne. De heen- en terugvlucht naar Tasmanië had me alles bij elkaar 120 dollar gekost, omgerekend een 80 euro. Dus als ik een tip mag geven aan allen die ooit naar Australië reizen: vergeet Tassie niet!
Samengevat was de voorbije week in Tasmanië, en de mensen die ik er ontmoet heb, zo inspirerend dat ik tot de vaststellingen kwam die ik bij het begin van dit blogstukje vermeldde. Een momentopname, dat besef ik wel, maar eigenlijk hoop ik dat het meer is dan dat. Time will tell...
Dit was ook mijn laatste stukje blog als soloreiziger, vanaf zondag krijg ik het gezelschap van mijn lieftallige eega Anneke, die de Aussies Gents gaat leren praten en onze avonturen verder zal vastleggen op de gevoelige plaat. Wat dat voor de schrijfsels zal betekenen weet ik nog niet, maar de foto’s zullen in ieder geval een stuk beter zijn. Ajuus!

"Wijs" :-) ! X.
ReplyDeleteMatti! Good read! Ge gaat dubbel zo wijs zijn als ge terug zijt... Ho maar :)
ReplyDeleteNice dude,
ReplyDeleteAltijd super om je hersenspinsels en avonturen hier na te lezen...doet ne mens meemijmeren. Iedereen zou eigenlijk verplicht moeten zijn om zo'n reis te maken, zoals moslims verplicht zijn een keer in hun leven naar Mekka te gaan. Noem het levensreflectie voor de asceet.
Ik krijg er in ieder geval zelf veel zin in...om Kid Coco een groot muzikant te citeren "My day will come"...allez, hoop doet leven :-).
Zien er in ieder geval al naar uit om enkele potten tesamen te consumeren als ge terug zijt...
Enjoy de komende weken met z'n tweëen
Greetz
Mr J
Van Diemen's Land, m'n favoriete U2-nummer (check out http://www.youtube.com/watch?v=wS_xQ9H9raU!) en eindelijk weet ik waarover het gaat, thanks mate! :-)
ReplyDelete